    
Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen
In het
rechter bouwhuis van Herinckhave, waar tot voor enkele jaren de
melkveehouderij van boer Brouwer was ondergebracht, woont nu Edgar
de Poel met zijn gezin. Dat zet zich in voor het behoud van
zeldzame huisdierrassen. Edgar’s echtgenote is bestuurslid van de
stichting Zeldzame Huisdierrassen en zelf heeft hij op het landgoed
een erkend centrum voor de fok van de Twentse landgans. Van dat
ganzenras houdt hij er een groot aantal, die vooral graag in de
omgrachte boomgaard verblijven.
Verder
heeft hij oude eendenrassen, zoals de Noordhollandse Krombek, koeien
van het ras blaarkop en kippen zoals de Twentse Grijze onder zijn
hoede. Al deze met uitsterven bedreigde landbouwhuisdieren kan men
vanaf de Herinckhaveweg bewonderen.
Leghen
De Twentse
Grijze, ook wel het Twentse hoen genoemd, was tot eind jaren veertig
een nog veel op commerciële basis gehouden leghen. Nog in 1948
waren van de uitgebroede 13,5 miljoen kuikens van legrassen in ons
land, er 15.000 van de Twentse Grijze. De witte Leghorn stond toen
met ruim 9 miljoen stuks op de eerste plaats, op ruime afstand
gevolgd door de Rhode Island Red(19%). Een jaar later werden van het
Twentse hoen 10.000 kuikens uitgebroed. Was het in 1950 nog met 2000
uitgebroede kuikens vertegenwoordigd, in 1951 was zijn rol in de
commerciële leghennenhouderij totaal uitgespeeld. Voor uitsterven
van deze mooie kip behoeft echter niet te worden gevreesd. De
Twentse Grijze is namelijk populair bij liefhebbers van een graag
buiten rondscharrelende en goed leggende kip. Dit ras is rond 1860
ontstaan door kruising van Twentse en Bentheimer landhoenders met
een Maleierhaan, een vechtras. De huidige Twentse Grijze kreeg
vervolgens enkele tientallen jaren later zijn zo gewaardeerde
uiterlijk door kruising met de zilverpatrijs Leghorn. Daarvan werd
in 1884 voor het eerst een exemplaar naar een hoendertentoonstelling
gebracht. De haan heeft een prachtige hangende kraag en een
inktzwarte sikkelvormige staart terwijl ook het hennetje de moeite
van het bekijken waard is. De
Blaarkop, waarvan enkele mooie exemplaren in de weiden langs de
Herinckhaveweg grazen is een melkkoe. Het aantal Blaarkoppen in ons
land bedroeg in de jaren zeventig naar schatting nog 40.000 stuks,
maar wordt nu op slechts 3.000 geraamd. Er zijn heel goede
melkgeefsters bij. Deze koe is zwart of rood, met een witte kop. De
zwarte of rode hoofdkleur vloeit uit tot een kring om de ogen.
Ganzenhouderij
Het is een melk- en vleesras, dat vooral voorkomt in Groningen en
Zuid-Holland. Voor de leek overigens gemakkelijk te verwarren met
het Britse Hereford-rund, een vleeskoe.
Tot in de
eerste decennia van de vorige eeuw is de ganzenhouderij voor de
Twentse boer een belangrijke bedrijvigheid geweest. Tijdens de
Eerste Wereldoorlog zette het verval in en in de Tweede Wereldoorlog
kwam er voor goed een eind aan. Waarom in Twente nu de
ganzenhouderij tot zo grote bloei kwam, is voor Edgar de Poel
onderwerp van studie geweest. Hij vond een verklaring in de
onnatuurlijke vroege leg van de Twentse landgans, waarmee de Twentse
ganzenhouders een voorsprong kregen op collega’s uit andere
streken bij de ganzenhandel. Ze konden reeds in de winter jonge
ganzen voor de mesterij op de markt brengen en in het vroege
voorjaar slachtrijpe ganzen. De ganzen legden hun eieren reeds in
de late herfst en winter, omdat ze op de akkers met winterrogge
graasden of de roggespruiten gesneden voorgezet kregen. Deze
voorzagen de ganzen van dusdanig veel eiwit, dat zij in de late
herfst gestimuleerd werden tot het vroegtijdig leggen van
eieren.”Dit kenmerk,”aldus De Poel, “hebben onder meer de Twentse
ganzenhouders benut om in het vroege voorjaar jonge ganzen op de
markt te brengen nadat het aanbod van herfstganzen was opgedroogd.
De vroege leg is dus geen gefokte eigenschap geweest maar was bij
de Twentse landgans een gevolg van de specifieke roggeteelt. Door
dit eeuwenlang toegepaste principe raakte de eigenschap van de
vroege leg, ook van eenjarige ganzen, verankerd binnen de Twentse
Landgans.”
Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen
Ooit was de havezate Herinckhave twee watermolens rijk. Eén voor het
malen van graan, de tweede voor het slaan van olie uit
vlas(lijn)zaden en koolzaad. De eerste vermelding van beide molens
komt voor in de kronieken van het klooster Albergen, in 1521. In de
nacht van 7 op 8 juni 1642 zijn deze molens door brand verwoest en
vervolgens is de oliemolen nooit weer opgebouwd. Maar in 1646 kon
wel weer graan tot meel worden gemalen in de herbouwde korenmolen.
Pas in 1865 kwam daar een einde aan. De nu nog ten zuiden van de
buitengracht van Herinckhave staande watermolen heeft als bouwjaar
dus 1646.
Luiwiel
Toen in de tweede helft van de 20e eeuw het besef kwam
dat de nog bestaande industriële monumenten, zoals wind- en
watermolens bescherming behoefden en maatregelen werden genomen om
van hun voortbestaan verzekerd te zijn, ontdekte men dat in en aan
het molenhuis alleen nog het luiwiel met windas onder de kap
aanwezig waren. Dat luiwiel is uniek in ons land en daarom spreekt
men van geluk, dat het gespaard is gebleven. Vermoedelijk, omdat het
zo hoog zat. Dat luiwiel diende er voor om op gezette tijden de
loper op te tillen, zodat de randen van de gleuven in loper en
ligger weer scherp kon worden gemaakt. Billen noemt men dat. In
1989 is de watermolen van Singraven gerestaureerd. Er kwam een nieuw
houten waterrad en ook werd in het molengebouw een molenstoel
geplaatst. Een houten trommel, met daarin de beide molenstenen. Het
rad heeft een diameter van 4.30 meter en telt 29 schoepen.
Waterrad
Het water uit de molenkolk valt op de onderste schoepen en brengt zo
het waterrad in beweging. Zo’n watermolen wordt een onderslagmolen
genoemd. Bij een bovenslag-watermolen valt het water via een gootje
op de bovenste schoepen. De schoepen van de Herinckhaver molen zijn
90 centimeter breed. Het rad is via een wateras – in dit geval 45
bij 45 centimeter dik en 4.60 meter lang – verbonden met het stelsel
van kamraderen, spillen en assen in het molenhuisje. Het grote
horizontale kamwiel telt 72 kammen. Het ronsel dat dat kamwiel aan
het draaien brengt en zelf door het verticale kamwiel aan de wateras
in beweging wordt gebracht, telt 11 staven. Bij één keer ronddraaien
van het waterrad, draait de loper bijna 7 keer rond. De molenstenen,
de loper en de ligger, hebben een diameter van 1.40 meter. De
watermolen van Herinckhave wordt nog geregeld voor het malen van
graan gebruikt. Zo blijft ze maalvaardig. Het zijn vrijwillige
molenaars, die zich daarvoor inzetten.
Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen
Lang
geleden moet er al een duiventil hebben gestaan op het landgoed
Herinckhave. Dat wil zeggen dat de toenmalige bewoners van de
havezate, de Von Bönninghausens het “heerlijk recht”bezaten om
duiven te houden. Inderdaad komt de naam voor in het in 1852
gestichte Duiventilregister van het Provinciaal Bestuur van
Overijssel. Hierin staat vermeld dat Jonkheer Franciscus Egon
Philippus Joannes von Bönninghausen het recht had op Herinckhave 100
paar duiven te houden.
Enkele
jaren geleden is daarom in een weiland ten zuiden van de boomgaard
een duiventil gebouwd. Daarbij is gebruik gemaakt van oude
tekeningen en van wat het Algemeen Huishoudelijke Natuur Zedenkundig
en Konst Woordenboek uit 1778 hierover schreef:”Op wat wijze het
duivenhok of kot wordt vervaardigd en wat er dient in agt genomen te
worden.
Wit
Het moet
van binnen en van buiten gewit zijn, welke kleur de duiven het meest
beminnen”. Zo is gebeurd, terwijl de palen blauw zijn geverfd om zo
de kleuren van Herinckhave terug te laten komen. Bovenstaande werd
meegedeeld tijdens de feestelijke ingebruikname van de herbouwde
duiventil. In de buurt van kastelen en landhuizen ziet men wel vaker
een duiventoren of duiventil. Vaak van steen, soms van hout. Ook een
aantal gaten in de gevel van een boerenschuur of in het dak van een
poortgebouw, verraadt zo´n vaak eeuwenoud duivenverblijf. Een aantal
bewaard gebleven duiventorens stamt zelfs uit de Middeleeuwen.De
duiven werden in die tijd niet gehouden, omdat het in- en uitvliegen
zo´n aardig gezicht was en hun gekoer de oren streelde. De torens of
tillen, waarin soms twee- tot vierhonderd duiven hun domicilie
hadden, die broedden in nisjes in de muur of in houten kastjes die
langs de wand waren aangebracht, gaven de eigenaar de gelegenheid
van tijd tot tijd een duivenboutje te consumeren.
Mest
Ook kreeg
men zo de beschikking over guano, hoogwaardige mest. Veel van die
duivenverblijven stonden dan ook op palen en hadden een luik in de
vloer, zodat de mestkar er zo ondergereden kon worden en gemakkelijk
gevuld. Een flinke duivenbevolking leverde per jaar wel zes wagens
vol mest. Niet iedereen mocht vroeger zo maar duiven houden. Daarom
sprak men wel van de Heerlijke Duivenrechten: het recht om duiven te
houden was voorbehouden aan een Heerlijkheid. Vooral de adel had
zo´n duivenverblijf op zijn grond, waarvan de honderden bewoners
vrij op de omliggende landbouwgronden naar voedsel zochten. Dat
laatste was ook de reden dat het recht om duiven te houden niet aan
iedereen werd gegund. Het speciale duivenrecht is nog heel lang
gehandhaafd. Pas in 1955 is het samen met de herziening van de
Jachtwet opgeheven. Dat is ook in de Franse tijd, in 1798 het geval
geweest, maar reeds in 1807 dook de wettelijke regeling van het
duiven houden weer in de Jachtwet op.
Mooie
weggetjes in de gemeente Tubbergen
In de
duiventil van Herinckhave werden duiven gehouden, zowel voor de
consumptie als om de mest. Maar eeuwenlang zijn ook tamme duiven
gebruikt, om berichten over te brengen. We spreken nu dan ook nog
van postduiven, waarvan het houden voor de deelname aan wedvluchten
voor rond 40.000 van onze landgenoten een passie is. Voor het eerst
schijnt in ons land een groepje Tilburgse studenten in de tweede
helft van de 19e eeuw met postduiven een wedvlucht te
hebben georganiseerd. De Tweede Wereldoorlog heeft aan het houden
van wedvluchten en zelfs aan het houden van postduiven een wreed
einde gemaakt.
De
bezetters waren bang dat deze zouden worden gebruikt voor het
illegaal verzenden van berichten. Nog geen week na de capitulatie
van ons land, op 21 mei 1940, kwam er al een verordening af van de
bezettende macht, waarin aan duivenhouders werd bevolen de dieren op
te hokken.
Ophokgebod
“Postduiven
mogen tot nader order niet uitvliegen. Postduiven met buitenlandsche
ringen of ongeringde duiven mogen niet op het hok aanwezig zijn.
Jonge duiven moeten tot nader order eveneens worden vastgehouden.
Bij overtreding worden de duiven gedood en de eigenaars gestraft
volgens de Duitsche militaire wetten.” Uit krantenknipsels van 17
juli 1940 kan worden opgemaakt dat lang niet alle duivenhouders zich
aan het ophokgebod hielden:”Het percentage dergenen dat zich
kennelijk niet wenscht te storen aan de uitgevaardigde verboden, is
echter dermate groot, dat een laatste waarschuwing langs dezen weg
mogelijk nog veel onheil in dubbele betekenis kan voorkomen. Immers
wanneer van heden af overtredingen worden geconstateerd van het
uitvliegverbod zullen niet alleen alle duiven van de betrokkenen op
staanden voet in beslag worden genomen en gedood, maar bovendien
stellen de eigenaars zich aan zeer zware straffen bloot. De grote
oorlog van 1914-1918 heeft in ruime mate en met allerlei variaties
aangetoond, welk een enorm gevaar er kan schuilen in het hanteren
van postduiven tijdens een dergelijke periode. Een kind kan
begrijpen dat de Duitsche overheid in dit opzicht niet het
allergeringste risico mag nemen. Zolang geen tegenbevel wordt
uitgevaardigd, moeten postduiven, maar ook allerlei andere soorten
duiven, zonder enige restrictie binnen gehouden worden. De
afsluiting van het hok moet zodanig verzekerd zijn, dat ontsnapping
volstrekt uitgesloten is. Te dien aanzien worden verontschuldigingen
bij voorbaat radicaal van de hand gewezen. Dezer dagen zijn als
eerste maatregelen te Hilversum bij verscheidene liefhebbers evenals
in Amsterdam duiven in beslag genomen en gedood.”
Maatregelen
Op 7
augustus 1942 namen de bezetters zeer rigoureuze maatregelen. Alle
duiven moesten toen worden gedood. Het was voorlopig afgelopen met
de postduivenhouderij. “Verbod tot het houden van duiven”, stond
boven het betreffende krantenbericht, waarin onder andere werd
meegedeeld: “Hij die duiven houdt moet deze binnen een week
slachten, de pooten, waaraan een ring is bevestigd, bij den
burgemeester inleveren en zijn slag onverwijld sluiten, waarna de
burgemeester de slagen verzegelt en onderzoekt of de ringen van alle
ten gemeentehuize geregistreerde duiven zijn ingeleverd. Hij, bij
wie een duif binnenvliegt of die op andere wijze een duif
daadwerkelijk in zijn bezit krijgt, moet deze met de zich bij de
duif bevindende berichtenkokers en mededelingen aan den
dichtstbijzijnden burgemeester afgeven. Pootringen en dergelijke
mogen niet worden afgenomen.”De burgemeester diende er voor te
zorgen dat duiven zonder eigenaars of verwilderde duiven onverwijld
werden gedood. Voor lachduifjes in huiskamerkooitjes gold de
verordening niet. Er werden straffen in het vooruitzicht gesteld van
5 jaar cel of 10 jaar tuchthuis. Op woensdag 29 december 1943 werd
rond 10 uur ´s avonds een Halifax-bommenwerper van de RCAF, de Royal
Canadian Air Force, na een geslaagde bombardementsvlucht op Berlijn,
boven Twente neergeschoten door een Duitse nachtjager. In de romp
van de neergeschoten bommenwerper werd een merkwaardige vondst
gedaan. Het betrof een metalen kistje waarin zich een levende
postduif bevond met een potlood, een elastiekje en een hulsje.
Omwonenden die voor de Duitsers bij het vliegtuig waren namen het
kistje mee. Omdat daar een Engelse tekst op stond, wierpen ze het in
de gierkelder. De duif werd de volgende morgen vrijgelaten, nadat
men een boodschap in het hulsje had gestopt en dat met een
elastiekje aan zijn poot had bevestigd. Toen die middag enkele
Engelse jachtvliegtuigen boven de neergestorte bommenwerper
cirkelden, zei men tegen elkaar: “Kijk, de duif is in Engeland
aangekomen!” Foto´s die tijdens de oorlog van militaire vliegvelden
in Engeland zijn genomen, laten stapels kistjes zien van het soort,
dat in de neergestorte Halifax werd gevonden. Kennelijk werden die
duiven op bombardementsvluchten meegenomen en was dat een van de
redenen, waarom de Nederlandse postduivenhouders hun dieren moesten
afmaken. Dergelijke rechthoekige kistjes, aan de voorkant voorzien
van een paar luchtgaten, zijn bewaard gebleven en vaak in
oorlogsmusea te zien. Na de Tweede Wereldoorlog heeft een delegatie
van de RAF in Rotterdam 2000 postduiven officieel overgedragen aan
Nederlandse duivenliefhebbers, zodat deze weer een basis hadden om
op voort te bouwen.
Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen
De
Fleringer Molenbeek kronkelt vanuit noordoostelijke richting onder
langs de Fleringer es met zijn Kroezeboom, gaat via een duiker onder
de weg Tubbergen-Fleringen zuidwaarts, gaat ongeveer gelijk op met
de Herinckhaveweg door het landgoed Herinckhave en vult de grachten
en molenkolk bij de havezate. Vervolgens, steeds zuidwaarts
stromend, doorkruist ze het laatste weiland rechts van de
Herinckhaveweg en gaat via duikers onder de Ootmarsumseweg en het
kanaal Almelo-Nordhorn door en even ten oosten van de plek waar
Huize Weemselo ooit stond en langs Dulder in de richting van de
uitmonding in de Loolee.
Het is één
van de vele beken die hun oorsprong vinden op de hellingen van de
Twentse stuwwallen en eerst naamloos en later onder verschillende
namen in dienst staan van de waterbeheersing, ooit zijn
gekanaliseerd om hun waterafvoerende taak naar behoren uit te kunnen
voeren en vervolgens weer door het waterschap gerenoveerd. Dus
hebben vele beken, zoals ook de Fleringer Molenbeek terwijl ze het
landgoed Herinckhave aandoet - hun bevallige vroegere loop
teruggekregen. Vanaf de Herinckhaveweg ziet men ze nu eens links,
dan rechts haar kronkelende route afleggen. Op het eind van die weg,
is even rechtsaf, goed te zien, hoe ze het landgoed via een weiland
verlaat.
Bronbeken
De meeste
watergangen in het Twentse boerenland zijn van oorsprong bronbeken.
Ze hebben echter hun natuurlijke loop en natuurlijke gedragingen
verloren. Wel zijn vele bronbeekjes, de eerste meters van later soms
belangrijke waterlopen, ongerept gebleven. In het 135.000 hectare
grote werkgebied van het in Almelo gevestigde waterschap Regge en
Dinkel kabbelt rond 50 kilometer aan bronbeekjes naar lagere delen.
De bovenlopen dus van benedenstrooms vaak belangrijke
waterleidingen. Op een mooie voorjaarsmorgen stonden we op de
helling van de 85 meter hoge Tankenberg, ten noordoosten van
Oldenzaal bij één van de bronnen van zo’n beek. Een smal karrespoor
had ons langs de rand van het landgoed Egheria gebracht. We keken
uit over glooiende weiden die werden afgewisseld door boomgroepen en
houtwallen. Daar beneden denderde het verkeer over de weg
Oldenzaal-Denekamp en ver in het noordwesten was net tussen een
opening in het geboomte de top van de Kuiperberg bij Ootmarsum te
zien. De stuwwal Ootmarsum-Uelsen en de stuwwal Oldenzaal-Lonneker,
waarvan de Tankenberg deel uitmaakt, zijn de belangrijkste
heuvelruggen van Twente en moeten 150.000 tot 100.000 jaar geleden
door het oprukkende landijs van de een na laatste IJstijd zijn
gevormd. Die heuvelrijen hebben vaak een kern van Tertiaire klei,
nalatenschap van de zee, die tussen 60 en 2 ½ miljoen jaar geleden
Twente van tijd tot tijd uitkoos als bodem of kuststrook. Die klei
laat geen water door. Het regenwater dat op de heuvels valt sijpelt
door de bovenste laag dekzand omlaag tot die kleilaag wordt bereikt.
Dan breekt het uit de helling en dat is dan een bron.
Paradijsje
Zo zijn dus
de 125 Twentse bronnen ontstaan. Vlakbij ons glinsterde een rond
plasje in een brede krans van bloeiende vergeet-me-nietjes. Een
paradijsje. Een piepklein bronmeertje. Hier vloeit het water uit de
bodem, wordt even opgehouden door een duikertje voor het verder in
noordwestelijke richting de helling af mag. Net lang genoeg om het
vijvertje gevuld te houden. Het water sijpelde daar tussen beuk en
vlier en goudveil tevoorschijn. Vooral vlier, goudveil en de
blauwbloeiende vergeet-me-nietjes zijn kenmerkend voor de vegetatie
langs het begin van een bronbeek. Maar ook bosklaverzuring en
bittere veldkers. Het water dat uit de helling van de Tankenberg
stroomt, heeft een temperatuur van 11 graden Celsius. Al het
bronwater heeft die temperatuur, is zomers dus koel, voelt dan zelfs
ijskoud aan, maar bevriest in de winter daardoor niet. Het water dat
hier aan onze voeten omlaag stroomde, van een hoogte van 70 meter,
zou over drie dagen via de Loolee en het Lateraal Kanaal bij
Almelo bereiken. Het had dan een verval dat natuurlijk op de eerste
kilometers het grootst is, van 60 meter overbrugd. Via het Lateraal
Kanaal en de Linderbeek zou het dan bij Den Ham in de Regge terecht
komen, die bij Vilsteren uitmondt in de Vecht.Beneden onze
standplaats, op de in pasteltinten gestoken aren van de grassen op
de hellingweiden, ontsprongen meer bronnen en samen maakten ze het
noordwest stromende waterloopje steeds breder. Voorbij de Mariahoeve,
ten westen van de weg Oldenzaal-Rossum, dan op een hoogte van 35
meter plus NAP, krijgt het beekje pas een naam. Daar begint het
waterschap zich verantwoordelijk te voelen voor het onderhoud.
Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen
Na de tweede rotonde bij Albergen in de weg Almelo-Ootmarsum, gaat,
meteen na eetcafé Coophuys de Weemselerweg rechtsaf. Ze kruist het
Almelo-Nordhornkanaal en zal dan tot waar de Zondermansweg zich
afsplitst, blijven boeien. Het tracé van het gedeelte van de weg
tussen de boerderij van Cor Loohuis (Hemkesdieks), Weemselerweg 25
en het huis van Berend Loohuis (nummer 29) is zeer oud.
Waar nu tegenover laatstgenoemd adres een karrenspoor zich
afsplitst, boog de weg vroeger naar rechts, in de richting van het
erve Zonderman. Nu gaat ze rechtdoor, in zuidelijke richting. Bij
eerstgenoemde boerderij buigt de Weemselerweg met een scherpe bocht
naar links en gaat de Diekersweg rechtdoor.
Eeuwenoud tracé
Vroeger, nog tot 1900 lag ze op dit punt in het verlengde van een
uit het noorden komende zandweg. In die tijd was op deze plek dus
sprake van een kruispunt. Ten zuiden van het kanaal is die zandweg
nog aanwezig. Volgt men vanaf de Zenderseweg in Albergen de
Molendijk, dan bereikt men namelijk na de rundveehouderij van de
familie Oude Nijhuis(Molendijk 4) een kruispunt van zandwegen.
Rechtsaf belandt men hier op de noordelijke kanaaloever. Voor het
kanaal werd gegraven (1884-1889) kwam deze zandweg dus uit op de
plek, waar bij de boerderij van Cor Loohuis de Diekersweg zich
afsplitst en de Weemselerweg scherp naar links afbuigt. De zandweg
verloor na 1900 haar functie en maakte plaats voor een nog bestaande
houtwal. Maar was wel het eeuwenoude tracé van het noordelijke deel
van wat nu de Weemselerweg heet en die dus bij de boerderij van
Loohuis naadloos aansloot op deze weg.
Beltmolen
Bij het volgen van de Weemselerweg komt net ten zuiden van het
kanaal Almelo-Nordhorn, op het eind van een fikse oprit tussen
houtgewas door een boerderij in zicht die vanouds de naam erve De
Mulder draagt. Van de beltmolen die hier vanaf 1413 stond en waarmee
de naam van de boerderij verband houdt, is niets meer over. Maar
eeuwenlang moet hier de boerenwoning van de molenaar hebben gestaan.
De gevel van de boerderij draagt nog een steen, waarop de
Weemselermolen is afgebeeld. Een graanmolen die eigendom was van de
bewoners van de havezate Weemselo, die in deze omgeving stond. De
verhoging, vanwaar de windmolen zich eens verhief, is nu met bomen
begroeid. In de woonkeuken van de boerderij bestaat de vloer nog uit
een aantal molenstenen, overigens nu door vloerbedekking aan het oog
onttrokken. Een andere herinnering aan de Weemselermolen is echter
voor goed verdwenen. Dat was een gedicht, dat ooit één van de ramen
van het huis sierde. Dat luidde als volgt: “Tot u, O Weemselo,Heb
ik dit huis gesticht,Bewaar het door uw gunst,Ontvang het door uw
licht, Dit wens ik van u ten allen tijd,Die altijd hoopt en blijft
en zijt,Uw dienaar. J.Mulder 1776”
Erve De Mulder
Het erf werd in de 15e eeuw “De Weemselermolen”genoemd.
Tal van molenaars zullen hier in de loop der eeuwen hun leven hebben
gesleten en de boerenplaats zal dan ook vele namen hebben zien komen
en gaan. Het erve De Mulder had in de 17e eeuw dubbele
bewoning. Een deel was in gebruik bij de molenaar en andere
familieleden dreven er een boerenbedrijf. In 1688 was Hendrik de
Weemseler mulder en in 1710 was Wolter Mulder er zowel boer als
molenaar. Zijn oudste zoon, Jannes, pachtte in 1779 de molen van
Weemselo. Na zijn overlijden, trouwde zijn weduwe met Bernard
Gebbink uit Groenlo. In 1847 kwam er een einde aan de combinatie
boer/molenaar. De Gebbinks beperkten zich verder tot het
boerenbedrijf en voor de molen meldde zich Gerard Vleerbos uit
Mander als nieuwe molenaar. In 1872 werd de molen afgebroken en
vervangen door nieuwbouw. In 1885 werd het molencomplex door brand
verwoest om vervolgens spoedig herbouwd te worden en als molenaar
meldde zich toen Jens Lohuis, die tot 1915 in functie bleef. In 1916
werd de Weemselermolen afgebroken. In 1920 meldde zich van de
Gebbinks nog weer een opvolger op de boerderij, in 1958 door
huwelijk vervangen door de naam Wilmink, die tot nu gehandhaafd
bleef. Maar nog altijd wordt de boerderij en ook de boerenfamilie
De Mulder genoemd.
Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen
Rijdt men vanaf de rotonde bij de Knoefbakker richting Geesteren,
dan gaat bij het begin van de bebouwde kom de Huyerenseweg linksaf.
Genoemd naar de buurtschap De Huijeren. Spoedig meent men door een
openluchtmuseum te rijden. Want de nog volop voor het boerenbestaan
in gebruik zijnde boerderijen, zoals het erve Effink en het erve
Wulferink hebben veel van de inmiddels fraai gerestaureerde oude
bedrijfsgebouwen langs de Huyerenseweg “uitgestald”, of liever
gezegd: in tact gelaten.
Zo is dit gedeelte van deze weg één van de aantrekkelijkste stukjes
straat van de gemeente Tubbergen geworden. Men vindt er namelijk een
nauwelijks in Twente nog voorkomende schuur met doorrit (deurreed)
en overstek, een schuur met een heidegevel, strovlechtwerk en
vakwerk, een bijzonder bakhuis uit 1847, mooie geveltekens en op de
koop toe ook nog enkele oude boerderijen, waarvan één met
onderschoer en schampstenen.
Hooischuur
Tegenover het erve Effink (nu Dierink) staat rechts van de
Huyerenseweg de lange hooischuur met doorrit (zie foto) en met een
overstek, waaronder vroeger een oogst- of hooiwagen gestald kon
worden. In elk geval kon via de doorrit de met hooi geladen wagen
gemakkelijk in- en de lege wagen uitgereden worden, nadat het
geurige wintervoer opgeslagen was. Verondersteld wordt dat hier in
eerste instantie een gewone hooischuur heeft gestaan. Vervolgens
werd er een uitbouw, een overstek aan bevestigd. Zo’n overstek kan,
terwijl deze bleef bestaan, tot verlenging van de schuur hebben
geleid, waardoor dus een doorrit ontstond. Opnieuw werd daarna een
overstek aan de gevel gebouwd en zo zou ook een tweede doorrit
kunnen zijn ontstaan. Deze schuren komen volgens boerderijdeskundige
Herman Hagens uit Almelo, wat Twente betreft alleen voor in de
Losserse buurtschap Beuningen en de gemeenten Denekamp en Tubbergen
en ten westen van Almelo. Over het algemeen zijn het bouwsels van
vijf of zes gebinten met de doorrit in het midden. De overstek is
wellicht in de 19e eeuw aangebracht aan een veel oudere
schuur.
Pachthoeve
Hagens vond namelijk de niet meer functionerende balkjes van een
houten geveltop op de plek waar de uitbouw was aangebracht. Het erve
Effink( in 1953 ook wel Everink genoemd) is een eeuwenoude
boerenplaats. Begin 17e eeuw werd het het Everman genoemd
en was in die tijd een pachthoeve. Het had toen de beschikking over
rond 7 hectare bouwland, waarvan echter 3 hectare braak lag. Ook
hoorde, voor die tijd, vrij veel hooiland bij het boerenbedrijf,
namelijk ruim 2 hectare. Dat het een pachthoeve was, was niets
bijzonders. Het overgrote deel van de Geesterse boeren werkte toen
op gepachte bedrijven. Van de 21 in het Verpondingsregister van
Twente van 1601 genoemde boerderijen in Geesteren hoorden 17 aan
kloosters, rijke burgers of de adel. Zoals het Klooster Frenswegen,
Van Beverforde uit Albergen of de richter van Uelsen. Slechts vier
waren zogenaamde “vrije goederen”waarvan echter bij twee wordt
vermeld: “met veel schulden beladen”.
Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen
Tegenover de hooischuur met doorrit staat konende vanaf Geesteren
links van de Huyerenseweg het erve Effink (nu Dierink). Op de grond,
aan weerskanten van de “niendeuren” zijn voorzieningen aangebracht,
die nu geen dienst meer doen, maar herinneren aan de tijd dat de
boer zo met de oogstwagen de deel op reed. Daarbij konden de nokken
van de assen of de wielen gemakkelijk de muur of de deurposten
beschadigen. Om dat te voorkomen, werden de zijkanten voorzien van
zogenaamde schampstenen, vaak van zandsteen, waarop de wielen
afschampten.
“Niendeur” overigens betekent niet anders dan benedendeur. Het
woongedeelte was het bovenend van de boerderij en de buitendeur werd
dan ook bovendeur genoemd en het daar soms aan vastgebouwde vertrek
de bovenkamer.
Onderschoer
Vanaf de 17e eeuw schijnen boerderijen te zijn gebouwd
met een onderschoer, zoals bij het erve Effink ook aanwezig. Met die
naam zou een aan één zijde open schuur worden bedoeld. Schoer
betekent inderdaad schuur, maar de Twentenaar gebruikt dat woord
alleen voor een onweersbui. Omdat bij een boerderij met rechte
gevel het aanbrengen van een onderschoer voor de inrijdeuren
bouwtechnisch niet nodig is – bij een boerderij met wolfsdak of een
boerderijdak met wolfsend wel een goede oplossing – weet men nog
steeds niet waarvoor de één gebont diepe nis werd gebruikt. Sommigen
menen voor het overdekt uitvoeren buitenshuis van brandgevaarlijke
werkzaamheden zoals het vlas hekelen en wannen van graan. Er zouden
zelfs politieverordeningen bestaan, die dat werk binnenshuis
verboden. Van oorsprong hadden bij zo’n boerderij, tot de Saksische
driebeukige hallenhuizen behorend, de muren geen dragende functie.
Daartoe dienden de gebinten. Het zogenaamde “vierkante werk”. Een
gebint bestaat uit twee stevige eikenhouten stijlen, staanders, met
elkaar verbonden door een gebintbalk. Meestal is deze een eindje
onder de kop van de staanders vastgemaakt met houten pinnen en
voorzien van een steunbalkje, Ankerbalkgebint.
Grote zolder
Hierdoor ontstond een grote zolder, waarop vroeger de rogge en later
het hooi werd opgeslagen, op een vloer van zogenaamde sleten, smalle
stammetjes. De ruimte tussen twee gebinten wordt het gebont genoemd.
Althans in Twente. In de Achterhoek spreekt men van gebintvak. Een
gebont is drie tot vier meter lang. Een Twents gezegde luidt dat de
vrouw de baas is in het eerste gebont, het gedeelte van de boerderij
waar het gezin verbleef. Het zogenaamde “vierkante werk”, in dit
geval van een schuur. De dwarsbalken tussen de staanders worden ook
wel moerbalken genoemd. De lange horizontale balk is de gebintplaat,
waaraan de dakspanten worden vastgemaakt, de schuine steunbalkjes
noemt men korbeel of stekbaand. Het erve Effink(in 1953 ook wel
Everink genoemd) is een eeuwenoude boerenplaats. Begin 1600 werd het
Everman genoemd en was in die tijd een pachthoeve. Het had de
beschikking over rond 7 hectare bouwland, waarvan echter 3 hectare
braak lag. Ook hoorde, voor die tijd, vrij veel hooiland bij het
boerenbedrijf, namelijk ruim 2 hectare.
Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen
Langs de Huyerenseweg in Geesteren staat deze bijzondere schuur.
Overigens fraai gerestaureerd zodat het nog lang een stille getuige
kan zijn van het vroegere boerenbestaan. Bijzonder is vooral de
heidegevel. Verder vallen natuurlijk ook het strovlechtwerk en de
vakwerkmuren in de smaak. Die vakwerkmuren herinneren aan de tijd,
dat de balken nodig waren om tussen de vakken vlechtwerk van
hazelaar- of wilgentakken aan te kunnen brengen, die vervolgens
werden bestreken met leem dat vermengd was met kortgesneden stro.
Bij het slopen van een dergelijk van vakwerkmuren voorzien bouwwerk
worden in de horizontale balken gaten zichtbaar. Daarin werden de
staken gestoken, waaromheen men het vlechtwerk aanbracht. Overigens
betekent vakwerk volgens dr. Bezoen vlechtwerk.
Leem
Het leem, waarmee ook de deel, de vloer van het bedrijfsgedeelte van
de boerderij werd verhard, werd ook wel eens vermengd met koemest.
Het vreemde is dat deel eigenlijk houten vloer betekent. De balkjes
die nu het muurwerk in rechthoekige vakken verdelen worden eigenlijk
regels genoemd, wat de horizontale betreft en stijlen; zo heten de
verticale. Heide werd vroeger niet alleen gebruikt voor gevels van
schuren en schaapskooien, maar ook voor voorgevels van boerderijen.
Meestal werd de gevel voorzien van een raamwerk van latten, waar de
heide tussen gestoken werd om vervolgens met wilgentwijgen op de
plaats te worden gehouden. Boerderijdeskundige Herman Hagens over de
heidegevels: “Heidegevels kwamen vroeger veelvuldig voor in Twente,
sporadisch kan men ze hier en daar nog aantreffen, zij het
uitsluitend aan schuren of schaapskooien, zoals onder Geesteren en
Hezinge.
Strowanden
De oude bewoonster van het boerderijtje Het Loo te Reutum wist in
1962 nog te vertellen dat ze zich herinnerde dat haar huis vroeger
een “heetgewwel” had. Zowel heide voor de gevel als stro voor de
zijwanden worden op het raamwerk van latten gebonden, beter gezegd
geklemd tussen deze latten en lange twijgen worden door de heide- of
stromat heen op elkaar gebonden. Bij strowanden worden de
bindtwijgen aan de buitenkant afgeschermd met een geknoopt bosje
stro of door in een ruitvormig patroon aangebrachte strobossen,
waarbij de knooppunten liggen over de bindtwijg. Een regelmatig
patroon van knopen gaf dan tevens een prachtig regelmatig
strovlechtwerk te zien.”
Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen
Langs de Huyerenseweg strekt zich aan weerskanten ook het
omvangrijke gebouwencomplex van het erve Wulferink uit. Zoals rechts
een paar fraaie boerenhuizen of huisvormige schuren met geveltekens
op de kruising van de windveren en dubbele deeldeuren. Die worden in
Oost-Twente en het aangrenzende Duitse gebied niendeuren
genoemd(afgeleid van benedendeur), maar in de Gelderse Achterhoek
ook nedendeur of nendeur (van beneden), achterdeur en in De Liemers
bansdeur, zoals ook in Noord-Overijssel en het aangrenzende Drenthe
het geval is.
Daar wordt de deel baander genoemd en de deeldeur dus ook wel
baanderdeur. In Noord-Brabant spreekt men gewoon van staldeur en op
de Veluwe van achterdeur als de deeldeuren worden bedoeld. De beide
deuren aan weerskanten van de inrijdeur werden gebruikt bij het
uitmesten van de paardenstal of grupstal.
Grupstal
Voor de ligboxenstal in gebruik kwam stond het melkvee in het
winterhalfjaar vastgebonden aan de reppels in de grupstal. Die
reppels of stalpalen staken onder in het grondhout en waren boven
aan de steekrij bevestigd. Dat was een horizontale balk die de
gebinten op halve hoogte van de stijlen in de lengte met elkaar
verbond. Achter de koeien bevond zich een soort goot. In de grupstal
werd de koeienplas niet meer, zoals in de potstal(+), door het
strooisel opgevangen, maar vloeide in de gierkelder. Die werd van
tijd tot tijd geleegd en met een giertank, die rond 500 liter
tegelijk kon vervoeren, over de weilanden verspreid. “Aalten” noemde
men dat. Dat gebeurde alleen bij regenachtig weer, omdat het gras
anders te veel te lijden had van de koeienplas. Kleine boeren zag
men wel met een speciale kar, een soort rechthoekige kist op wielen,
het land op gaan, waaruit ze met een langgesteelde schep de inhoud
verspreidden. Maar de grotere boeren hadden wel een door het paard
getrokken giertank (zie foto) ter beschikking. De vaste mest ging
naar de mestvaalt. Vanaf midden jaren zestig gingen steeds meer
melkveehouders er toe over in de grupstal een roostervloer aan te
brengen. Daarmee was de drijfmest geboren. De gierkelder was toen
veel te klein en werd vervangen door grote ondergrondse ruimtes,
waarin voor maanden de vloeibare mest kon worden opgeslagen. Tevens
was toen een ander soort tank nodig: de drijfmesttank, die 8.000 tot
10.000 liter kon vervoeren. Het was afgelopen met het
arbeidsintensieve uitmesten van de stal en de aparte verspreiding
van vaste mest en koeienplas. Geleidelijk diende zich toen al een
ontwikkeling in het boerenbestaan aan die tot de huidige
eenmansbedrijven zou leiden. Arbeid maakte plaats voor het kapitaal:
de machines.
Oud
Het erve Wulferink is zeer oud. De prior van het klooster in
Albergen, die over de periode 1520-1525 een soort dagboek bijhield,
maakt melding van een lening aan het klooster, gedaan door een
zekere “Wulfer uit Gheijsteren”. Hij schrijft dan dat rond 1495
verscheidene burgers en boeren in Twente zich konden verheugen in
een algemene welstand, in het bezit van “rijkelijk veel geld en vee,
zodat het destijds heel geen moeite kostte om van de boeren geld op
rente te verkrijgen”. In dit verband noemde de prior Wulfer uit
Geesteren “boven de gewone norm rijk en gaarne bereid om aan het
convent, ook wel op langen termijn, geld te verstrekken, zelfs
voorschotten om niet”. Rond 1475 werd het erve Wulferding genoemd,
begin 1600 Wulfert of Wulfardt. Het was een vrij goed, wat heel
bijzonder was in die tijd toen vrijwel alle Twentse boerderijen
eigendom waren van de adel, rijke burgers, kerken en kloosters. In
het Verpondingsregister van Twente van 1601 wordt vermeld dat bij
het bedrijf toen rond 5 hectare bouwland hoorde, waarvan ruim een
hectare braak lag en een oppervlakte aan hooiland van rond
anderhalve hectare. Maar ook dat er een schuld op het bedrijf rustte
van 800 gulden.
(+) De potstal is tot de beginjaren van de 20e eeuw in
gebruik geweest. Op de verdiept aangelegde vloer stond het vee op de
eigen mest, die geregeld werd voorzien van strooisel als gras- en
heideplaggen, humusrijke aarde van onder de graszoden, later ook
stro van koolzaad, boekweit en rogge. Zodra de koeien met hun horens
bijna het dak raakten, werd de mest verwijderd. Dan staken de koppen
van de koeien soms net boven de deel uit.
Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen
Nog voor de Huyerenseweg naar links afbuigt, staat pal langs de
straat een bakspieker, een bakhuis, met een inpandige oven. Hoewel
de stenen in de langgevel anders doen vermoeden, dateert het uit
1847. De gevelsteen met het jaartal 1842 is namelijk van de
boerderij van het erve Wulferink en bij de restauratie van het
bakhuis in 1974 in de muur aangebracht. Het bakhuis heeft over de
hele oppervlakte een aardappelkelder.
De meeste bakhuizen hebben een buiten aangebrachte oven en verder
volstond men ook wel met alleen een oven op het erf, vaak rondom
afgeschut door een hegje.
Eigen brood bakken
Tot het einde van de 19e eeuw en ook nog wel tijdens de
eerste wereldoorlog bakte menig boerin haar eigen brood. In Twente
vooral het zwarte roggebrood, geweldenaars van 20 tot 35 pond soms.
Voor het bereiden van deeg werden grof gemalen, eigenlijk twee keer
gebroken roggekorrels gebruikt. Het deeg werd in zo’n bakspieker in
de houten, soms wel drie meter lange trog met de blote voeten
gekneed. Overigens pas nadat er eerst zuurgeworden deegresten van de
vorige bakdag, soms vier tot zes weken geleden, aan werden
toegevoegd. Zuurdesem. Dat zorgde er voor dat het een enigszins
luchtig baksel werd. Een halve dag brandde hout of turf in de oven
en na verwijdering van de as, schoof de boer of boerin met een
platte houten schep met een lange steel het deeg er in. Men sloot de
oven af met een ijzeren deurtje of een losse halvemaanvormige plank.
De oven moest absoluut luchtdicht worden afgesloten. Eventueel werd
rondom het deksel brooddeeg of leem gesmeerd. Want het vrij natte
deeg – het bestond voor 20 tot 35% uit water – gaf bij het gaar
worden veel stoom af en dat moest in de oven blijven. Anders kwam er
later een uitgedroogd, onsmakelijk baksel uit.
Molenaars
Tijdens het bakken werd het roggebrood dus als het ware gaar
gestoomd. Vaak werd het brood pas na 24 uur uit de oven gehaald. De
lange bakduur en de grote hitte – waardoor de suikers in het meel
carameliseerden – waren de oorzaak van de haast zwarte kleur van het
baksel. Eind 19e eeuw raakten de bakovens en bakspiekers
op de Twentse boerenerven in onbruik. Veel molenaars namen vooral
tussen 1850 en 1900 dit werk over van het boerengezin. Daarmee kwam
ook de loonbakkerij op. Boeren leverden het meel aan de bakker en
kregen er brood voor terug. Voor 1 kilogram meel werd 1 kilogram
brood geleverd. De verdiensten voor de bakker bestonden dan uit de
hoeveelheid meel, die hij bij het deeg kneden overhield. Want 20 tot
35% van het deeg bestond immers uit water. Ook bleven velen zelf het
brood kneden en brachten dat naar de molenaar/bakker. Nog rond de
eerste wereldoorlog deed men dat en liet het brooddeeg dan tegen een
bakloon van 8 cent(1913-1914) gaar bakken in de oven van de
molenaar.
Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen
Langs het stukje van de Huyerenseweg dat we verkenden zijn op de
samenkomst van de windveren bij bijna alle boerderijen en schuren
geveltekens aanwezig. Voornamelijk de rooms-katholieke met kelk,
hostie en kruis en de typisch Geesterse geveltekens met binnen de
plank uitgezaagde motieven van Germaanse oorsprong. Het bakhuis op
het erve Wulferink heeft ze zelfs allebei In Twente zijn veel oude
boerderijen nog voorzien van geveltekens.
Het gevelteken, waarmee de topgevel wordt bekroond, kan zowel uit
heidense als christelijke symbolen bestaan. Zoals het zonnerad van
de Germanen of de donderbezem of een kruis, hostie en kelk. De
laatste vorm zou uit de tijd van de reformatie stammen.
Rooms-katholiek gebleven boeren gaven daarmee hun trouw aan het oude
geloof aan.
Geveltekens
Hoewel ze hun betekenis allang hebben verloren, worden geveltekens
nog steeds aangebracht. Want vaak ziet men nieuwgebouwde huizen
die, wat het exterieur betreft, imitaties zijn van de Nederduitse
hallenhuizen en daar ontbreekt zelden een gevelteken. Wie
geïnteresseerd is in gevel- en stiepeltekens, wie meer wil weten
over de diepere betekenis van deze opmerkelijke versiering van het
Twentse boerenhuis, kan ten rade gaan bij het museum Palthehuis in
Oldenzaal. In het archief zijn daar honderden tekeningen te vinden
van geveltekens, die door een inwoner van de oudste Twentse stad
zijn gemaakt en verzameld tijdens zwerftochten door de boerschap.
Ook de bekende Twentse architect Jan Jans heeft de eerste decennia
van de vorige eeuw “meer dan 400 exemplaren met de tekenstift
vastgelegd”, zoals hij in zijn boek “Landelijke bouwkunst in
Oost-Nederland”, vertelt. “In Oost-Twente vond ik de grootste
variatie, maar toch hebben de voor dit gebied typische geveltekens,
die oprijzen uit de punt, waar de windveren sluiten, alle één ding
gemeen: ze zijn gemaakt uit een plank, die ongeveer 20 centimeter
breed en 1 tot 1.40 meter lang is,” aldus Jans in genoemd boek. Hij
verhaalt ook van de nog hier en daar aanwezige geveltopversiering
van gestileerde paardenkoppen. Paardenschedels zouden volgens een
andere Twentse streekhistoricus geluk brengen aan huis en bewoners.
Onheilafwerend
Jans daarover: “De paardenkoppen als gevelteken hebben ongetwijfeld
een symbolische, waarschijnlijk onheilafwerende betekenis gehad.”
Deze geveltekens werden dus in eerste instantie op boerenhuizen
aangebracht omdat de bewoners dachten dat ze onheil afweerden.
Blikseminslag, brand, storm en oorlogsgeweld hebben de eeuwen door
de boerschap geteisterd. Meer dan eens rezen rookpluimen op aan de
horizon. Weer een ramp, weer een getroffen boerengezin. Natuurlijk
probeerde men zich te wapenen tegen onheil, tegen het verlies van
huis en haard. Daarvoor werden praktische maatregelen genomen. Zoals
het beplanten van strooien of rieten daken met het vetplantje
huislook. De wortels daarvan hielden de dakbedekking op zijn plaats
en de plantjes zelf konden met hun met vocht gevulde stengels en
blaadjes brand voorkomen. Karel de Grote verplichtte de boeren
zelfs, dit plantje op hun brandbare daken te poten. Tijdens storm en
onweer stak men de op Lichtmis, 2 februari, gewijde kaarsen aan, om
onheil te voorkomen. Dan werden zelfs de klokken geluid en de
randschriften op oude kerkklokken getuigen van het geloof in de
waarde van hun beieren. Zoals: “met mijn gebeier verdrijf ik de boze
geesten”. Maar vooral de gevels van het bedrijfsgedeelte van de
boerderij, het mooiste gedeelte van de oude Saksische boerenhuizen,
en die van de schuren werden dus voorzien van rampen afwerende
elementen. Althans voorzieningen, die men magische krachten
toedacht. Op de foto’s ziet u een typisch Geesterens
gevelteken op het bakhuis langs de Huyerenseweg en dee zogenaamde
donderbezem.
Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen
De Herinckhaveweg begint rechts van de weg Tubbergen-Fleringen. Er
is een kleine parkeerplaats, vanwaar men de door bos begeleide weg
kan volgen, maar waarbij eerst even rechtsaf dient te worden gegaan,
om het erve Nijkamp te bekijken (zie foto), een schilderachtig
boerenhuisje met vakwerkmuren en half riet, half pannen gedekt en
met loslopende kippen op het erf. Erve Nijkamp staat er op het witte
hek. Ooit was het eigendom van Herinckhave.
Dan richten we onze aandacht op de beide hekpijlers (zie foto) aan
weerskanten van het begin van de lange oprijlaan naar de havezate.
Op één daarvan staat het wapen van de Von Bönninghausens, de laatste
adellijke familie die het Huis bewoonde. Een snoek die zijn
gekroonde kop boven het water uitsteekt. Maar erg duidelijk is dat
adellijke wapen niet meer zichtbaar in de zachte zandsteen. Op de
andere hekpeiler is het wapen te zien van het geslacht Von Heyden.
Dat betekent dat de beide hekpeilers vermoedelijk uit het midden van
de 19e eeuw stammen.
Burgemeester
Want het was de in 1828 geboren Lodovicus Ernestus Franciscus
Jacobus von Bönninghausen die in 1852 in het huwelijk trad met de in
1824 geboren Johanna Theodora Frederica Charlotta von Heyden. Deze
Von Bönninghausen zou in 1855 burgemeester van Tubbergen worden. Hij
overleed in 1910 en het duurde tot 1917 voor zijn kinderen het eens
konden worden over de verdeling van zijn erfenis en toen bleek ook
pas dat hij de Kroezeboom op de Fleringer es met een stuk grond in
een straal van 20 meter rondom de boom aan de roomskatholieke
parochie van Tubbergen had geschonken. Het wapen van de Grubbe’s
bestond overigens uit een zilverkleurige ram op een rood veld. De
kleuren van het wapen van de Von Bönninghausens zijn wit en blauw.
Die kleuren vindt men bijvoorbeeld ook op de slagboom aan het begin
van de Herinckhaveweg.
De hoge beuken en eiken langs de Herinckhaveweg en het bos zijn bij
lange na niet zo oud als het tracé van de laan zelf. Het is zelfs
zeer waarschijnlijk dat Herman van Vlederingen in de 15e
eeuw al gebruik van deze weg heeft gemaakt evenals tegen het einde
van die eeuw de Grubbes die tot het begin van de 18e
eeuw de dienst zouden uitmaken op Herinckhave, dat toen in de
volksmond het Grubbenhuis werd genoemd. In 1723 meldden de Von
Bönninghausens zich door huwelijk op de havezate en zijn zouden er
bijna 2 ½ eeuw later pas weer weggaan.
Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen
De
Herinckhaveweg gaat regelrecht op havezate af, die al sinds vele
vele tientallen jaren geen onderkomen meer is voor een adellijke
familie. Toen met de restauratie onder auspiciën van de
Kastelenstichting werd begonnen, verliet de laatste Jonkheer, Ernst
von Bönninghausen het goed. Het kasteel is toen verhuurd aan één van
de gegadigden die zich voor bewoning van het herstelde pand meldden,
de heer Koning(!). Inmiddels heeft de havezate al weer een andere
bewoner.
Er is nogal
wat gebeurd, niet alleen met de havezate zelf, maar ook met haar
bewoners. In 1617, toen het landgoed havezate Herinckhoeff werd
genoemd, stierven bijvoorbeeld de kasteelheer en zijn vrouw, de
Grubbes, samen met vijf van de zeven kinderen aan de pest.
Ingrijpende
verbouwing
Vanaf 1620
was Herman Goessen Grubbe de kasteelheer. Hij was generaal in
Münsterse dienst. De geschiedenis van wat in die tijd nog heette de
Hof te Fleringen(Vlederingen) begon begin 14e eeuw, toen
de heren Van Fleringen er de scepter zwaaiden. In 1415 deden, door
huwelijk, de Grubbes er hun intrede en vervolgens, in 1723, ook door
huwelijk, de Von Bönninghausens. De eerste bewoner van dat geslacht,
was Christian von Bönninghausen, luitenant-kolonel in Münsterse
dienst. Hij zou bij verschillende oorlogen betrokken worden en twee
jaar in Franse krijgsgevangenschap doorbrengen. In 1743 zou hij de
havezate onderwerpen aan een ingrijpende verbouwing. Sommige bronnen
spraken van verplaatsing van het huis van de oorspronkelijke plek,
de omgrachte boomgaard, honderd meter oostelijker, naar de huidige.
Nu wordt echter aangenomen, dat het bouwwerk altijd op dezelfde
plek heeft gestaan. Alleen het voorste gedeelte zou geheel zijn
vernieuwd. De kelders daaronder blijken namelijk nog van het oude
kasteel te zijn. Het achterste gedeelte zou dus nog van de
voorganger zijn geweest en dat brandde later, in de jaren vijftig
van de vorige eeuw helaas af. Christian stierf in 1771. Zoon
Ferdinand, ook in Münsterse dienst, kwam in 1772 aan het roer. In
1780 nam Ludwig Ernst de “zaak” over en ook hij was militair, maar
na een hevige ruzie nam hij ontslag uit het Münsterse leger en in
de Franse tijd maakte hij zich zo verdienstelijk voor de bezetters,
dat hij door koning Lodewijk Napoleon tot ridder in de Orde van de
Unie werd geslagen.
Brand
Vervolgens
werd Franz Egon de Heer van Herinckhave, die zowel raadslid was in
Tubbergen als lid van Provinciale Staten van Overijssel. Zijn zoon
Lodi nam het goed vervolgens voor het grootste deel over. Hij was
ook lid van Provinciale Staten en werd in 1855 burgemeester van
Tubbergen. Hij overleed in 1910 en vervolgens twistten de kinderen
lang over de nalatenschap. In 1917 kwam het tot een compromis. Egon,
Meinrad en Paul deelden de “buit” en Meinrad kreeg het huis. Hij was
officier in Pruisische dienst maar zou later directeur worden van
een verzekeringsmaatschappij. Hij stierf in 1920 en zijn drie zonen
kregen toen het landgoed. Maar Lothar verongelukte in 1921 tijdens
een jachtpartij en Egon en Ernst kregen ieder de helft. Egon is
tijdens de oorlog nog een tijdje commisssaris van de provincie
Overijssel geweest en sneuvelde in 1943 aan het Oostfront. Ernst en
zijn moeder bewoonden vervolgens de havezate, maar toen in de nacht
van 8 op 9 juni 1958 op de zolder brand uitbrak, was de weduwe al
overleden. De bewoners konden zich met moeite in veiligheid brengen.
Het achterste gedeelte van de havezate en de zolder van het voorste
gedeelte brandden geheel uit.In 1968 gingen het huis met
bijgebouwen, watermolen, molenkolk, grachten en de oprijlaan in
erfpacht over in handen van de Overijsselse Kastelenstichting in
Zwolle. Die liet de havezate restaureren, een karwei dat in 1978
werd afgerond.Wie nu voor de ophaalbrug staat, kijkt naar een
bouwwerk dat grotendeels uit 1743 stamt, hoewel begin 19e
eeuw aan de voorzijde ook nog heel wat veranderingen zijn
aangebracht. Het huis werd toen ook met een verdieping verhoogd. De
beide kanonnen op het voorplein zouden nog uit de Tachtigjarige
Oorlog stammen. Ooit stonden ze bij het kasteel Doorwerth, dat langs
de Rijn staat, in de buurt van Wageningen. Ze zijn aangekocht door
één van de Von Bönninghausens.
Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen
De bouwhuizen bij een kasteel waren in veel gevallen bestemd voor
economische activiteiten. Een bouwhuis werd dan ook wel het
“economiegebouw” genoemd. Vaak zijn het twee identieke bouwwerken.
Meestal begrenzen ze aan weerskanten het voorplein en liggen net
binnen de buitengracht.
Mooie bouwhuizen vindt men ook nog bij de havezaten Twickel in
Delden, Huize Almelo en de rond Diepenheim gelegen adellijke
onderkomens, zoals Weldam, het Nijenhuis, Warmelo en Huize
Diepenheim.
Bouwhuis
Van de inmiddels verdwenen havezate het Everlo in Volthe is alleen
het in 1704 gebouwde bouwhuis nog overgebleven. Wat de bouwhuizen
van het kasteel Twickel betreft, nog tot 1715 was in één daarvan een
bierbrouwerij gevestigd. In dat bouwhuis bevond zich ook het
rentmeesterskantoor en op de zolders werd het graan opgeslagen dat
de boeren verplicht waren te leveren als pacht in natura. In het
rechter bouwhuis waren eens de koetsen ondergebracht, terwijl in het
linkerbouwhuis de paarden stonden, in een tiental boxen, een
stalinterieur dat naar Engels model in 1892 werd aangebracht. Daar
vindt men ook nu de paardenstallen nog, maar tegenwoordig ook het
Twickelse wagenpark uit de tijd van koets en tentwagen. In 1905 kwam
de eerste auto op het kasteel, een Bentley. Daarvoor werd het
rechterbouwhuis als garage ingericht. Later kwam er een Mercedes
bij, die eerste vierdeursuitvoering van dit automerk in ons land.
Vervolgens deden een Armstrong en een Sunbeam hun intrede. De
laatste wagens waren een Volvo en een Mercedes. De beide bouwhuizen
zijn in de periode 1978-1985 gerestaureerd. 1892 kwamen er nieuwe
paardenstallen in één van de bouwhuizen.
Bierbrouwerij
Van de beide bouwhuizen van de havezate Herinckhave was in 1812 in
één een bierbrouwerij gevestigd en ook boden ze onderdak aan twee
koetsen, vier paarden, evenals koeien en varkens. Tot enkele jaren
geleden woonde en werkte in het rechter bouwhuis een boerengezin.
Dat bouwhuis was toen ook als boerderij ingericht. De naar het
voorplein gerichte zijgevel van dit bouwhuis ziet er in de herfst
bijzonder fotogeniek uit omdat dan de bladeren van de wilde wingerd
die de muren bedekken prachtig rood kleuren. Overigens is het ook in
het voorjaar en tijdens de zomer rondom de bouwwerken binnen de
buitengracht een lust voor het oog, omdat dan eerst de rododendrons
en azalea’s prachtig bloeien en vervolgens is dat ook met de vele
hortensia’s het geval. De beide bouwhuizen zijn rond 1740 tot stand
gekomen, tegelijk met de nieuwbouw van de havezate.
Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen
Vervolgen
we onze weg over de Herinckhaveweg, dan zien we links de omgrachte
boomgaard – waar enkele zeldzame hoogstam appelbomen staan – en
rechts de oostelijke zijgevel van het linker bouwhuis. Ter Kuile
schreef daar al over in 1911 in zijn boek “Geschiedkundige
aantekeningen op de havezathen van Twenthe”: “In hooge mate
schilderachtig is ter rechterzijde de ingang over de gracht, met
zijne wit-blauw geschilderde poort, waarnevens in muurankers het
jaartal 1742 en getooid met een vlug torentje, eindigend in een
sierlijke windvaan.
Vol
bekoring is ook de gehele omgeving van het ruim 660 hectare
uitgestrekte landgoed”. Hier is in het bouwhuis de huiskapel
ingericht waar gedurende enige tijd ook de roomskatholieken van
Tubbergen ter kerke gingen. In 1812 werd in een boedelinventaris
over de kapel gerapporteerd dat hier een altaar stond met een
miskelk en een ciborie van koper, vier kandelaars en nog enig ander
tinwerk alsmede een boekenkast.
Kapel
Bij tal van
kastelen hoorde vroeger een slot- of burchtkapel. Soms groeide
daaruit zelfs de parochiekerk, zoals bijvoorbeeld in Almelo en in
Saasveld het geval is geweest. Nog in 1775 wordt gewag gemaakt van
de aanwezigheid van een kapel bij de plek, waar honderd jaar eerder
het kasteel Weemselo stond dat toen door brand werd verwoest.”…een
kapelle in een bequaemen staet, waar floer en zolder moet
gerepareert worden.” De Grote Kerk in Almelo is voortgekomen uit een
in 1236 bij het kasteel Huize Almelo gestichte burchtkapel. Daaruit
groeide het huidige kerkgebouw van de plaatselijke hervormde
gemeente. De in 1926 gebouwde kerk van Saasveld, staat op een
complex dat is omgeven door een gracht, waar binnen zich nog tot in
de 18e eeuw de muren van een machtige burcht verhieven.
Het slot, dat rond 1550 nog eens aanzienlijk werd uitgebreid en
versterkt, werd in 1735 aangekocht door Maximiliaan Heydenreich
Droste zu Vischering. Deze familie bewoonde het kasteel echter niet,
waardoor het in verval raakte. De roomskatholieken van Saasveld
hielden er nog wel hun godsdienstoefeningen in de burchtkapel en het
Poortgebouw is tot 1821 in gebruik geweest als pastorie. Maar al in
1800 werd binnen de grachten, voor de ruïne van het slot Saasveld,
een kerk gebouwd.
Gebruik
Over het gebruik van de slotkapel van
Herinckhave, tekent Ter Kuile aan:”In de geestelijke behoeften der
katholieke inwoners en omwoners van Herinckhave werd in den tijd van
en na de Tachtigjarige Oorlog met moeite voorzien; nu eens kwamen
omstreeks 1600 de geplaagde katholieken samen onder den eeuwenouden
Kroezenboom in de Fleringer Esch, dan weer werden door de
huisgeestelijken der heeren van Eschede, Herinckhave en Weemselo in
of bij hunne Huizen pastoralia bediend, terwijl door paus Benedictus
XIV omstreeks 1758 verlof gegeven werd geregeld de Heilige Diensten
te verrichten in de Huiskapel van Herinckhave, hetgeen door de
overheid meer en meer door de vingers werd gezien.”In hun boek De
havezaten in Twente en hun bewoners stellen de auteurs Gevers en
Mensema: “In 1769 werd toestemming gegeven van de apostolische
nuntius te Brussel om in de kapel op Herinckhave missen te laten
lezen, waarvan werd beweerd dat voor 12 jaren door paus Benedictus
XIV al toestemming zou zijn gegeven. Al eerder, in 1688, zou er een
huisgeestelijke op Herinckhave gehuisvest zijn geweest en diens
opvolger zou in 1708 pastoor in Tubbergen zijn geworden. Naderhand
werd één der bouwhuizen tot kerkschuur ingericht.” Ze schrijven
verder, dat “de kapel in het bouwhuis in de jaren 1910-1916
aanzienlijk is gewijzigd. In de vloer van de kapel liggen enkele
grafzerken van bezitters van Herinckhave, die afkomstig zijn uit de
kerk in Tubbergen. Het geheel is in 1978 gerestaureerd.In het
dakruitertje bevindt zich een klok uit 1828”.
Mooie weggetjes in gemeente Tubbergen
Volgt men de Weemselerweg verder, dan bereikt men tenslotte bij de
boerderij van de familie Loohuis een splitsing. Honderd jaar geleden
lag hier ene kruispunt van zandwegen, maar met het graven van het
kanaal verloor de noordelijke tak zijn functie en werd tenslotte
opgeslokt door het boerenland. Hier gaat de Diekersweg rechtdoor en
buigt de Weemselerweg linksaf en laat zich meteen van zijn mooiste
kant zien, biedt uitzicht op een schilderachtig van veel geboomte en
een enkel boerenhuis voorzien landschap en volgt een geul dwars door
een langgerekte bouwkamp.
Een
holle weg is het daar, waar men de lange oprit nadert naar een
boerderij, die bij de plek staat waar de havezate het Weemselo tot
in de 17e eeuw nog fier overeind stond, voordat brand het
omgrachte bouwwerk verwoestte.
Naamsverandering
Links van
de weg staat dus het rundveebedrijf van de familie Loohuis. Al sinds
1865 staat op deze plek, toen nog midden in de heide, bij
eerdergenoemd kruispunt van zandwegen, een boerderij, die toen werd
bewoond door het echtpaar Oude Munnink-Blokhuis. Reeds 14 jaar later
resideerde er het echtpaar Gasthuis-Haamberg. Eerder genoemd
echtpaar was toen al overleden. Eerst overleed Oude Munnink, waarop
zijn weduwe hertrouwde. Vervolgens stierf zijn en hertrouwde de
weduwnaar. Zo kwam die naamsverandering tot stand. Een van de
nazaten trad in 1883 in het huwelijk met Johannes Loohuis van ’t
Hemke en vestigde zich elders. In 1898, toen het inmiddels een gezin
had gevormd met vijf kinderen, vestigde dit echtpaar zich op de
boerderij langs de Weemselerweg, waar nog eens zeven kinderen het
levenslicht zagen. Één daarvan was de latere “Hemkesdieks”, die na
zijn huwelijk op een inde buurt gelegen boerderijtje ging wonen,
maar in 1927 de ouderlijke woning weer betrok. Zijn kleinzoon Cor
heeft er lang een melkveehouderij gehad en ging onlangs over op de
opfok van andermans kalveren.
Lubbersboer
Rechts
van de Weemselerweg duikt hier een van rode pannen voorzien
boerenhuisje uit de bosschages op, waar tot voor enkele jaren twee
broers woonden die de bijnaam “Lubbersboer” droegen, maar die
eigenlijk Tinselboer heetten. Hun voorgeslacht had een woninkje in
het Schapenbos langs de Weemselerweg, waarvan het geboomte, dat hier
dicht bij de Weemselerweg oprijst, nog over is. In dat bos woonde
omstreeks 1660 een zekere Lubbert Schaeplo met zijn gezin. Twee van
zijn zonen bleven thuis wonen, en toen ze eind jaren tachtig van de
17e eeuw in het huwelijk traden, bleven hun gezinnen ook
het volkshoes trouw. Een zoon uit één van deze gezinnen, Wilhelm,
trouwde omstreeks 1725 met Geertruida Engbers. Hij noemde zich toen
ook wel Willem van het Lubbershuis, naar de voornaam van zijn
grootvader. Hoe het hem en zijn gezin verder is vergaan, bleeek niet
te achterhalen, maar van zijn eveneens op hetzelfde adres wonende
neef Albertus, die zich Schaepelo noemde zou later een dochter,
Hermina in huis trouwen met Martinus Bouhuis. In 1788 zou ze voor de
derde keer trouwen, na overlijden van haar echtgenoten en toen in
1790 nog een zoon werd geboren, telde het gezin zeven kinderen en
drie vaders. Die zoon heette Gerardus en hij zou nog dienst nemen in
het leger van Napoleon. Maar inmiddels wat het gezin al verhuisd
naar de pek waar nu het kleine boerenhuis staat, warvan de bewoners
de bijnaam Lubbersboer droegen. In 1874 was het één van de nazaten,
huisnaaister van beroep en in de buurt bekend als Lubbersmi’jken,
die in het huwelijk trad met Gerard Tinselboer. Nu werd het een hele
drukte in en rondom het huis, waar niet alleen genoemd echtpaar,
maar spoedig ook tien kinderen, hun oma en opa en twee tantes
woonden. Van de tien kinderen trouwde er één thuis, in 1918, met
Johanna Hoesman uit Zenderen. Dit echtpaar zag het huis twee keer
door brand verwoest, na blikseminstal, namelijk in 1920 en 1951.
Alleen de voorgevel bleeft overeind. Twee van hun zoons hebben nog
niet zo lang geleden het boerenbedrijfje rustig aan het einde
geloodst.
Mooie weggetjes in gemeente Tubbergen
Volgen we de Weemselerweg verder met aan weerskanten de steilrand
van een grote bouwkamp, dan komt links de oprijlaan naar het
Weemselo in zicht. Daar ongeveer tegenover, rechts van dew eg dus,
vindt men nog wel eens wat bakstenen in het bouwland. Daar heeft
namelijk ooit het Boshuis gestaan. In 1857 werd het afgebroken nadat
er zich enkele dramatische sterfgevallen hadden voorgedaan.
Later is
het een eindje verder, langs een pad dat tegenover het erve de
Dieker de Diekersweg bereikte, herbouwd. Tussen 1846 en 1857 had het
in een bos gelegen oorspronkelijke Boshuis leeggestaan en was in
verval geraakt. In die tijd zei men in de buurt dat het er spookte.
Er was ook veel naars gebeurd in dat huis en bij het passeren hoorde
men er soms deuren dichtslaan en ramen klepperen.
Bliksem
Omstreeks
1785 had zich hier, dichtbij het Weemselo, een zekere Hergelink
gevestigd met zijn vrouw. Één van hun dochters trouwde thuis met
Oude Wansink in november 1818 en zij heeft er niet veel geluk
gekend. Uit dit huwelijk werden vier kinderen geboren, waarvan er
twee jong stierven. Ook hun moeder werd niet oud. Ze stierf in 1844
en twee jaar later was Oude Wansink zelf aan de beurt toen hij
tijdens werkzaamheden op het land door de bliksem werd getroffen.
Een half jaar later stierf een van de twee overgebleven kinderen,
nog maar 23 jaar oud en was alleen de 18-jarige Anna Maria nog over
in het Boshuis. Ze wilde daar niet alleen wonen, midden in het bos
en vertrok spoorslags naar Duitsland. In het voorjaar van 1857 kwam
ze terug , nu met een tweejarig zoontje, Antonius.
Bouwmaterialen
Van het
in verval geraakte spookhuis werden de nog bruikbare bouwmaterialen
gebruikt voor een nieuw onderkomen langs het pad aan de Dieker.
Vanaf die tijd noemde men haar in de buurt “Bosmerie”. Ze verdiende
de kost als katoenweefster. Dat ze niet afkerig was van mannen
bleek, toen ze in 1865 een tweede kind kreeg. Dat was Gesina, die
echter in de zomer van 1885, 20 jaar oud, overleed. Zelf stief
“Bosmerie” in 1897 op 68-jarige leeftijd, nadat ze het huwelijk van
haar zoon nog had meegemaakt. Hij vertrok met zin vrouw naar
Haaksbergen en in 1898 werd het Boshuis afgebroken. In 1937 kwam een
zoon van Antonius terug naar Tubbergen. Hij is daar jaren hoofd van
de school geweest.
Mooie weggetjes in gemeente Tubbergen
Vanaf de Weemselerweg gaat een lange oprijlaan naar het erve
Weemselo. Links van de boerderij en aan het einde van de laan stond
het kasteel Weemselo, omgeven door een binnengracht, die tot voor
enkele tientallen jaren, hoewel drooggevallen, nog was te zien. In
1973 is ze dichtgegooid , maar de plek waar het kasteel ooit stond
heeft nog een veldnaam, die aan haar geschiedenis herinnert: Het
Ferment. Vermoedelijk een verbastering van Fundament.
Het
gehele complex was ook weer door een buitengracht omgeven. In 1934
is die gedeeltelijk nog open gracht gedempt. Ze liep toen nog rechts
van het einde van de laan, om het zuidelijke deel van de boerderij
heen.
Bouwhuis
Vanaf
1603 was het reeds in de 14e eeuw bestaande goed Weemselo,
eigendom van Johan Christian van Bevervoorde, vanaf 1626 van zijn
zoon Johann Friedrich. Omstreeks 1678 was het goed van Engelbert von
Beverförde, zoals de familie zich toen liet noemen. Vanf 1697 van
Bernt Engelbert Christian Freiherr van Beverförde. Ze woonden er
echter niet. Want na 1675 stond alleen het bouwhuis nog overeind.
Het kasteel was inmiddels door brand verwoest. Op 28 augustus 1693
trouwde daar de pachter en rentmeester Herman Wansink met Aleida
Reerink in het inmiddels dat jaar herbouwde bouwhuis. Een grote
boerderij met de naam het Weemselo. Vandaar werden de bezittingen,
zoals verschillende pachthoeven, onder anderen ook in Geesteren,
beheerd. De bewoners zouden zich later Van het Weemselo noemen.
Verschillende pachters hebben er vervolgens hun opwachting gemaakt
tot de laatste, die zich Bartus op het Weemsel noemde, maar
eigenlijk Blokhuis heette, in 1812 de boerderij aankocht, die toen
13 hectare groot was, waarvan driekwart hectare uit waterpartijen
bestond. Dat waren de grachten die toen bezig waren te verlanden.
Brand
Tot 1812
zijn de Van Bevervoorde’s, die zicht alter Von Beverförde lieten
noemen dus eigenaar geweest van de havezate. Een geadopteerde zoon
van de Von Beverförde’s zou het bouwhuis tenslotte in 1812 verkopen.
In 1882 brandde een deel van de boerderij af, tien jaar later werd
het Weemselo publiek geveild. Bernhard Lenferink uit Fleringen was
de koper, die in 1895 het pand gedeeltelijk vernieuwde. In 1775
heeft een priester uit Tubbergen. Op verzoek van de Von Beverfördes,
een rapport opgemaakt over de toenmalige toestand van het complex.
Het in 1693 gebouwde pand, het voormalige bouwhuis dus, werd toen
nog het “adellijke huys Weemseloo” genoemd. Hij trof het aan in
bouwvallige staat. Alleen de oostkant die een jaar eerder was
vernieuwd, zag er nog goed uit. Het huis bestond uit vier
vertrekken, zoals een keuken, een achterkamer, een opkamer met ene
kelder en een binnenkamer. Verder de deel met de stallen met koeien
en paarden, alles onder één dak.
Rechts
van het huis bleek een kapel te staan, waarvan alleen de vloer en
zolder reparatie behoefden. Links van het huis stond een schuur, een
“schoppe”, die twee jaar eerder was opgeknapt. Ook stond op het erf
een varkensschot, nog in goede staat, maar het bakhuis achter het
huis was bouwvallig.
Grachten
Het
complex was gedeeltelijk omgeven door een singel van vruchtbomen.
Verder bevond zich naar het huis een moestuin, het
“fondament”genoemd, omdat hier het kasteel had gestaan. Deze
moestuin was omgeven door een gracht die verland was, de zogenaamde
binnengracht. Het hele complex was voorzien van een buitengracht,
die gedeeltelijk was verland. Men kon het Weemselo bereiken via een
brug en een oude houten poort. Links en rechts van de boerderij
stonden 100 eikenbomen, groot en klein. Ook hoorde nog een,
overigens vervallen, schaapskooi bij het Weemselo, die in het bos
“Schaape Loo”, ruim een hectare groot en bestaand uit jong
eikenhout, stond. Dwars voor het huis bevond zich een allee, die
voor de helft van grote eikenbomen en voor de helft van jong
geboomte was voorzien. Ze was 530 treden lang. Voor het complex
bevond zich een straatweg die liep tot aan het bos het Sonder.
Verder werden in de rapportage uit 1775 verschillende bij de
havezate horende percelen grond genoemd, waarvan enkele veldnamen nu
nog bekend zijn zoals de “Hespelsmate” en de “Winkelmate” (Winkelhook).
Mooie
weggetjes in de gemeente Tubbergen
Een lange oprijlaan voert vanaf de Weemselerweg naar de boerderij
van de familie Veldhof, waar ooit het kasteel Weemselo stond, waar
de Van Bevervoorde’s woonden. Daar vond een schaking plaats van een
14-jarige dochter van de Van Reede’s uit Saasveld. Gerard van
Bevervoorde nam haar mee naar Arnhem. Het verhaal wil dan verder dat
de dochter na enige tijd wel weer bij haar ouders terugkwam. Later
is ze nog getrouwd met jonker Johann Tork. Maar haar moeder rustte
niet, voor de edelman uit Albergen strafrechtelijk werd vervolgd.
Vooral omdat hij overal rondbazuinde dat hij zowel met de moeder als
met de dochter geslapen had.
Gerard
van Bevervoorde was een tijd in dienst geweest van de Spaanse
koning. Hij werd echter afgedankt en trad daarna in dienst van de
Staten en werd luitenant van de ruiters van Wermelo, de drost van
Salland. In 1591 veroverde hij zijn geboortehuis, het Weemselo, op
de Spanjaarden. Op 8 augustus van dat jaar werd het echter onder
aanvoering van de Graaf van Berg heroverd en vervolgens zoals eerder
vermeld, in brand gestoken.
Gevangen
In de
nacht van 1 op 2 april 1592 nam Van Bevervoorde het kasteel Saasveld
in en verdreef het daarin gelegerde Spaanse garnizoen. Het vermoeden
bestaat dat Gerard vervolgens door de Spanjaarden gevangen is
genomen, waarop de Spaansgezinde Van Reede’s hun kans schoon hebben
gezien. In 1597 is Gerard van Bevervoorde namelijk in Brussel tot de
dood veroordeeld en onthoofd, waarbij moeder en dochter Van Reede
zouden hebben toegekeken. Elizabeth zou later van het kleed, waarop
het hoofd van de schaker van Anna was gelegd, een jurk hebben
gemaakt en haar dochter hebben gedwongen dat aan te trekken. In het
in 1824 in Amsterdam verschenen boek over het geslacht Van
Bevervoorde, geschreven door een zekere Engbers uit Uelsen, wordt
dit verhaal overigens in twijfel getrokken. De vader van Gerard,
Johan van Bevervoorde, zou in 1577 zijn getrouwd en zijn zoon kon
ten tijde van de schaking dan hoogstens een jaar of twaalf zijn
geweest. De 14-jarige leeftijd van Anna Magdalena zou wel kloppen,
want haar ouders trouwden in 1574. Ze kan dus best in 1575 zijn
geboren en was dus in 1589 14 jaar. De schaking is echter geen
verzonnen verhaal. Dat ontdekte reeds midden 19e eeuw de
amateur-historicus baron Sloet. Hij vond in de akten van het Hof van
Gelderland gegevens over de schaking en de strafrechtelijke
vervolging. Maar dat het tenslotte in Brussel tot een onthoofding
van de Alberger edelman zou zijn gekomen, daarvan kon hij geen
bewijsstukken vinden.
Dagboek
Toch is
dar het overtuigende bewijs inmiddels van geleverd. Eind jaren
tachtig hield mr. A. de Bakker uit Enschede zich bezig met de
vertaling van het bewaard gebleven stamboek en dagboek van Sweder
Scheele, tijdgenoot van de schaker. De Scheele’s bewoonden van 1521
tot 1715 het Huis Weleveld in Zenderen. Het origineel van genoemde
boeken wordt in Osnabrück bewaard. In het voormalige Rijksarchief in
Zwolle waren daarvan fotokopieën aanwezig. De Bakker ontdekte daarin
enkele passages die betrekking hebben op de gebeurtenissen van
september 1589 op Het Weemselo. Één van die passages luidt: 1592:
Gerard van Bevervoorde (de zoon van Johan, die een zoon was van
Bernt van Bevervoorde, die een grote vriend was van mijn grootvader
Sweder Scheele en zolang hij leeft (tot 1571) van mijn vader,
Christoffel (1529-1606) ontvoerde destijds Anna Magdalena, een
dochter van Hendrik van Reede, die Saasveld bewoonde. De moeder nam
echter haar dochter (omdat die nog erg jong was) weer bij zich in
huis en vervolgde Gerard van Bevervoorde wegens schaking. Onder het
jaar 1595 vond De Baker een genealogie van de Van Bevervoorde’s
vermeld, in verband met het huwelijk van Sweders zuster Judit met
Joost van Bevervoorde, een verre neef van de schaker. Bij diens naam
(nu Geert genoemd) stond in het Latijn de volgende aantekening:
Decollatus Bruxelles of libellum famosum; cum fructu persecutus ob
raptum ab Mansfeldia vidua de Rede. Kennelijk is deze aantekening er
later bij geplaatst (in 1597?) Vertaald luidt ze: Onthalsd te
Brussel op grond van de geruchtmakende aanklacht; was met vrucht
vervolgd wegens schaking door de Mansfeldse weduwe De Rede.
Mooie
weggetjes in de gemeente Tubbergen
Volgen we Weemselerweg verder, dan komen we, tegenover de hoge
bouwkamp van het erve De Meyer (ter Haar) bij de kleine boerderij
van Jan Loohuis (Weemselerweg 28). In elke geval stond hier al een
boerenhuis rond 1800 en in die tijd werd het kleine erve de
Wortelhorst genoemd. Rond genoemd jaar vestigde zich hier en
echtpaar Heithuis-Nieuwe Weme uit Dulder. Eigenaar was toen de
vrederichter Stroink uit Almelo. Nazaten van dit echtpaar bleven het
volkshoes trouw.
De
laatste bewoner van die naam was Hermanus Heithuis, ook wel
Wortelmans genoemd, die in 1924 op 88-jarige leeftijd stierf. Hij
was een rasverteller die prachtig uit kon wijden over de witte wieve,
het wiergaon en andere duistere zaken.
Avondwake
Bij zijn
stoffelijk overschot werd geen dodenwake gehouden, hoewel dat
eeuwenlang gebruikelijk was geweest. Want even daarvoor, in december
1923, vlak voor Kerstmis, was dit eeuwenoude gebruik in dit deel van
Albergen afgeschaft. Aanleiding daarvoor was het overlijden van de
eenzaam wonende klompenmaker Broenink, die een tijdlang op de
Wortelhorst was verpleegd. Men voelde er weinig voor om bij hem de
dodenwake te houden, waarop er een einde kwam aan het gebruik, dat
elders wel eens op drinkgelagen uitliep en tegen het einde van de 16e
eeuw, ten tijde van de reformatie al in vele delen van ons land was
verboden. De dochter van Herman Heithuis, die in 1912 was getrouwd
met Oude Rengerink, de molenaar van de Weemselermolen bleef nog een
tijdje op de Wortelhorst wonen. Vervolgens woonde de familie Wolbers
er een tijdje, tot het kleine erve werd gekocht, in 1928, door
Joannes Loohuis die er een gezin stichtte en waarvan een van de
zeven kinderen tenslotte het oudershuis zou overnemen. Zodat er nog
steeds een Loohuis woont. Links komt dan een veel later gebouwd
boerenhuis in zicht (van familie B. Loohuis) en rechts, achter een
houtwal en een weiland staat een voor burgerbewoning ingerichte
boerderij op een plek, waar in elk geval in 1675 al een boerenerve
aanwezig was, een pachthoeve van het Weemselo.
Gastgeerd
In
genoemd jaar woonde daar een zekere Gastgeerd naar de naam van de
boerderij, het Gasthuis. Die naam vonden we weer in een op 23
januari 1705 opgemaakte trouwakte. Toen trouwde Ferdinand Gerritzen
van ’t Gasthuis met Gertruida Heininck. Dit echtpaar kreeg tien
kinderen, twee zoons en acht dochters. Herman, één van de zoons,
trouwde in 1745 en stichtte ook een kinderrijk gezin. Vervolgens
bleef of een zoon of een dochter het Gasthuis trouw. Sommigen gingen
zich Weemselo noemen (1777), anderen Gasthuis (1810) en die laatste
naam had een wat langer leven. In 1891 werd het huis echter
afgebroken en het boerenplaatsje verkocht. Daarmee kwam er een einde
aan de boerderij met twee zijschotten ter weerszijden van de
deeldeuren. Stond dit boerenerfje ten noorden van het karrenspoor,
dat de Weemselerweg in die tijd verbond met de Zondermansweg, nu
werd een nieuw huis gebouwd langs de zuidkant, dat ook de naam
Gasthuis kreeg. In 1900 kwam Jan Klaassen er wonen, waarvan één van
de kinderen de bekende dialectschrijver Hendrik Klaassen zou worden.
Nu wordt het bewoond door één van zijn dochter en haar gezin.
Bronnen: De huizen van Albergen en hun bewoners, geschiedkundige
aantekeningen op de havezathen van Twente. De havezathen in Twente
en hun bewoners.
|