* * * * * landelijk uitzicht, natuur, rust en gastvrijheid* * * * *

 
 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

In het rechter bouwhuis van Herinckhave, waar tot voor enkele jaren de melkveehouderij van boer Brouwer was ondergebracht, woont nu Edgar de Poel met zijn gezin. Dat zet zich in  voor het behoud van zeldzame huisdierrassen. Edgar’s echtgenote is bestuurslid van de stichting Zeldzame Huisdierrassen en zelf  heeft hij op het landgoed een erkend  centrum voor de fok van de Twentse landgans. Van dat ganzenras houdt hij er een  groot aantal, die vooral graag in de omgrachte boomgaard verblijven.

Verder heeft hij oude eendenrassen, zoals de Noordhollandse Krombek, koeien van het ras blaarkop en kippen zoals de Twentse Grijze onder zijn hoede. Al deze met uitsterven bedreigde landbouwhuisdieren kan men vanaf de Herinckhaveweg bewonderen.

Leghen

De Twentse Grijze, ook wel het Twentse hoen genoemd, was tot eind jaren veertig een nog veel op commerciële basis  gehouden leghen. Nog in 1948 waren van de uitgebroede 13,5 miljoen kuikens van legrassen in ons land, er 15.000 van de Twentse Grijze. De witte Leghorn stond toen met ruim 9 miljoen stuks op de eerste plaats, op ruime afstand gevolgd door de Rhode Island Red(19%). Een jaar later werden van het Twentse hoen 10.000 kuikens uitgebroed. Was het in 1950 nog met 2000 uitgebroede kuikens vertegenwoordigd, in 1951 was zijn rol in de commerciële leghennenhouderij totaal uitgespeeld. Voor uitsterven van deze mooie kip behoeft echter niet te worden gevreesd. De Twentse Grijze is namelijk populair bij liefhebbers van een graag buiten rondscharrelende en goed leggende kip. Dit ras is rond 1860 ontstaan door kruising van Twentse en Bentheimer landhoenders met een Maleierhaan, een vechtras. De huidige Twentse Grijze kreeg vervolgens enkele tientallen jaren  later zijn zo gewaardeerde uiterlijk door kruising met de zilverpatrijs Leghorn. Daarvan werd in 1884 voor het eerst een exemplaar naar een hoendertentoonstelling gebracht. De haan heeft een prachtige hangende kraag en een inktzwarte sikkelvormige staart terwijl ook het hennetje de moeite van het bekijken waard is. De Blaarkop, waarvan enkele mooie exemplaren in de weiden langs de Herinckhaveweg grazen is een melkkoe. Het aantal Blaarkoppen in ons land bedroeg in de jaren zeventig naar schat­ting nog 40.000 stuks, maar wordt nu op slechts 3.000 geraamd. Er zijn heel goede melkgeef­sters bij. Deze koe is zwart of rood, met een witte kop. De zwarte of rode hoofd­kleur vloeit uit tot een kring om de ogen.

 

Ganzenhouderij

Het is een melk- en vleesras, dat vooral voorkomt in Groningen en Zuid-Holland. Voor de leek overigens gemakkelijk te verwarren met het Britse Hereford-rund, een vleeskoe. Tot in de eerste decennia van de vorige eeuw is de ganzenhouderij voor de Twentse boer een belangrijke bedrijvigheid geweest. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zette het verval in en in de Tweede Wereldoorlog kwam er voor goed een eind aan. Waarom in Twente nu de ganzenhouderij tot zo grote bloei kwam, is voor Edgar de Poel  onderwerp van studie geweest. Hij vond een verklaring in de onnatuurlijke vroege leg van de Twentse landgans, waarmee de Twentse ganzenhouders een voorsprong kregen op  collega’s uit andere streken  bij de ganzenhandel. Ze konden reeds in de winter jonge ganzen voor de mesterij op de markt brengen en in het vroege voorjaar slachtrijpe ganzen.  De ganzen legden hun eieren reeds in de late herfst en winter, omdat ze op de akkers met winterrogge graasden of de roggespruiten gesneden voorgezet kregen. Deze voorzagen de ganzen van dusdanig veel eiwit, dat zij in de late herfst gestimuleerd werden tot het vroegtijdig leggen van eieren.”Dit kenmerk,”aldus De Poel, “hebben onder meer de Twentse ganzenhouders benut om in het vroege voorjaar jonge ganzen op de markt te brengen nadat het aanbod van herfstganzen was opgedroogd. De vroege leg is dus geen gefokte eigenschap geweest  maar was bij de Twentse landgans een gevolg van de specifieke roggeteelt. Door dit eeuwenlang toegepaste principe raakte de eigenschap van de vroege leg, ook van eenjarige ganzen, verankerd binnen de Twentse Landgans.”

 

 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

Ooit was de havezate Herinckhave twee watermolens rijk. Eén voor het malen van graan, de tweede voor het slaan van olie uit vlas(lijn)zaden en koolzaad.  De eerste vermelding van beide molens komt voor in de kronieken van het klooster Albergen, in 1521. In de nacht van 7 op 8 juni 1642 zijn deze molens door brand verwoest en vervolgens is de oliemolen nooit weer opgebouwd. Maar in 1646 kon wel weer graan tot meel worden gemalen in de herbouwde korenmolen.

Pas in 1865 kwam daar een einde aan. De nu nog ten zuiden van de buitengracht van Herinckhave staande watermolen heeft als bouwjaar dus 1646. 

Luiwiel

Toen in de tweede helft van de 20e eeuw het besef kwam dat de nog bestaande industriële monumenten, zoals wind- en watermolens bescherming behoefden en maatregelen werden genomen om van hun voortbestaan verzekerd te zijn, ontdekte men dat in en aan het molenhuis alleen nog het luiwiel met windas  onder de kap aanwezig waren. Dat luiwiel is uniek in ons land en daarom spreekt men van geluk, dat het gespaard is gebleven. Vermoedelijk, omdat het zo hoog zat. Dat luiwiel diende er voor om op gezette tijden de loper op te tillen, zodat de randen van de gleuven in loper en ligger weer scherp kon worden gemaakt. Billen noemt men dat.   In 1989 is de watermolen van Singraven gerestaureerd. Er kwam een nieuw houten waterrad en ook werd in het molengebouw een molenstoel geplaatst. Een  houten trommel, met daarin de beide molenstenen. Het rad heeft een diameter van 4.30 meter en telt 29 schoepen.

 

Waterrad

Het water uit de molenkolk valt op de onderste schoepen en brengt zo het waterrad in beweging. Zo’n watermolen wordt een onderslagmolen genoemd. Bij een bovenslag-watermolen valt het water via een gootje op de bovenste schoepen. De schoepen van de Herinckhaver molen zijn 90 centimeter breed. Het rad is via een wateras – in dit geval 45 bij 45 centimeter dik en 4.60 meter lang – verbonden met het stelsel van kamraderen, spillen en assen in het molenhuisje. Het grote horizontale kamwiel  telt 72 kammen. Het ronsel dat dat kamwiel aan het draaien brengt en zelf door het verticale kamwiel aan de wateras in beweging wordt gebracht, telt 11 staven. Bij één keer ronddraaien van het waterrad, draait de loper bijna 7 keer rond. De molenstenen, de loper en de ligger, hebben een diameter van 1.40 meter. De watermolen van Herinckhave wordt nog geregeld voor het malen van graan gebruikt. Zo blijft ze maalvaardig. Het zijn vrijwillige molenaars, die zich daarvoor inzetten.

 

 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

Lang geleden moet er al een duiventil hebben gestaan op het landgoed Herinckhave. Dat wil zeggen dat de toenmalige bewoners van de havezate, de Von Bönninghausens het “heerlijk recht”bezaten om duiven te houden.  Inderdaad komt de  naam voor in het in 1852  gestichte Duiventilregister van het Provinciaal Bestuur van Overijssel. Hierin staat vermeld dat Jonkheer Franciscus Egon Philippus Joannes von Bönninghausen het recht had op Herinckhave 100 paar duiven te houden.

 

Enkele jaren geleden is daarom in een weiland ten zuiden van de boomgaard een duiventil gebouwd. Daarbij is gebruik gemaakt van oude tekeningen en van wat het Algemeen Huishoudelijke Natuur Zedenkundig en Konst Woordenboek uit 1778 hierover schreef:”Op wat wijze het duivenhok of kot wordt vervaardigd en wat er dient in agt genomen te worden.

Wit

Het moet van binnen en van buiten gewit zijn, welke kleur de duiven het meest beminnen”.  Zo is gebeurd, terwijl de palen blauw zijn geverfd om zo de kleuren van Herinckhave terug te laten komen.  Bovenstaande werd meegedeeld tijdens de feestelijke ingebruikname van de herbouwde duiventil. In de buurt van kastelen en landhuizen ziet men wel vaker een duiventoren of duiventil. Vaak van steen, soms van hout. Ook een aantal gaten in de gevel van een boerenschuur of in  het dak van een poortgebouw, verraadt zo´n vaak eeuwenoud duivenverblijf. Een aantal bewaard gebleven duiventorens stamt zelfs uit de Middeleeuwen.De duiven werden in die tijd niet gehouden, omdat het in- en uitvliegen zo´n aardig gezicht was en hun gekoer de oren streelde. De torens of tillen, waarin soms twee- tot vierhonderd duiven hun domicilie hadden, die broedden in nisjes in de muur of in houten kastjes die langs de wand waren aangebracht, gaven de eigenaar de gelegenheid van tijd tot tijd een duivenboutje te consumeren.

 

Mest

Ook kreeg men zo de beschikking over guano, hoogwaardige mest. Veel van die duivenverblijven stonden dan ook op palen en hadden een luik in de vloer, zodat de mestkar er zo ondergereden kon worden en gemakkelijk gevuld. Een flinke duivenbevolking leverde per jaar wel zes wagens vol mest.  Niet iedereen mocht vroeger zo maar duiven houden. Daarom sprak men wel van de Heerlijke Duivenrechten: het recht om duiven te houden was voorbehouden aan een Heerlijkheid. Vooral de adel had zo´n duivenverblijf op zijn grond, waarvan de honderden bewoners vrij op de omliggende landbouwgronden naar voedsel zochten. Dat laatste was ook de reden dat het recht om duiven te houden niet aan iedereen werd gegund. Het speciale duivenrecht is nog heel lang gehandhaafd. Pas in 1955 is het samen met de herziening van de Jachtwet opgeheven. Dat is ook in de Franse tijd, in 1798 het geval geweest, maar reeds in 1807 dook de wettelijke regeling van het duiven houden weer in de Jachtwet op.

 

 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

In de duiventil van Herinckhave werden duiven gehouden, zowel voor de consumptie als om de mest. Maar eeuwenlang zijn ook tamme duiven gebruikt, om berichten over te brengen. We spreken nu dan ook nog van postduiven, waarvan het houden voor de deelname aan wedvluchten voor rond 40.000 van onze landgenoten een passie is. Voor het eerst schijnt in ons land een groepje Tilburgse studenten in de tweede helft van de 19e eeuw met postduiven een wedvlucht te hebben georganiseerd. De Tweede Wereldoorlog heeft aan het houden van wedvluchten en zelfs aan het houden van postduiven een wreed einde gemaakt.

De bezetters waren bang dat deze zouden worden gebruikt voor het illegaal verzenden van berichten. Nog geen week na de capitulatie van ons land, op 21 mei 1940, kwam er al een verordening af van de bezettende macht, waarin aan duivenhouders werd bevolen de dieren op te hokken.

Ophokgebod

“Postduiven mogen tot nader order niet uitvliegen. Postduiven met buitenlandsche ringen of ongeringde duiven mogen niet op het hok aanwezig zijn. Jonge duiven moeten tot nader order eveneens worden vastgehouden. Bij overtreding worden de duiven gedood en de eigenaars gestraft volgens de Duitsche militaire wetten.” Uit krantenknipsels van 17 juli 1940 kan worden opgemaakt dat lang niet alle duivenhouders zich aan het ophokgebod hielden:”Het percentage dergenen dat zich kennelijk niet wenscht te storen aan de uitgevaardigde verboden, is echter dermate groot, dat een laatste waarschuwing langs dezen weg mogelijk nog veel onheil in dubbele betekenis kan voorkomen. Immers wanneer van heden af overtredingen worden geconstateerd van het uitvliegverbod zullen niet alleen alle duiven van de betrokkenen op staanden voet in beslag worden genomen en gedood, maar bovendien stellen de eigenaars zich aan zeer zware straffen bloot. De  grote oorlog van 1914-1918 heeft in ruime mate en met allerlei variaties aangetoond, welk een enorm gevaar er kan schuilen in het hanteren van postduiven tijdens een dergelijke periode. Een kind kan begrijpen dat de Duitsche overheid in dit opzicht niet het allergeringste risico mag nemen. Zolang geen tegenbevel wordt uitgevaardigd, moeten postduiven, maar ook allerlei andere soorten duiven, zonder enige restrictie binnen gehouden worden. De afsluiting van het hok moet zodanig verzekerd zijn, dat ontsnapping volstrekt uitgesloten is. Te dien aanzien worden verontschuldigingen bij voorbaat radicaal van de hand gewezen. Dezer dagen zijn als eerste maatregelen te Hilversum bij verscheidene liefhebbers evenals in Amsterdam duiven in beslag genomen en gedood.”

 

Maatregelen

Op 7 augustus 1942 namen de bezetters zeer rigoureuze maatregelen. Alle duiven moesten toen worden gedood. Het was voorlopig afgelopen met de postduivenhouderij. “Verbod tot het houden van duiven”, stond boven het betreffende krantenbericht, waarin onder andere werd meegedeeld: “Hij die duiven houdt moet deze binnen een week slachten, de pooten, waaraan een ring is bevestigd, bij den burgemeester inleveren en zijn slag onverwijld sluiten, waarna de burgemeester de slagen verzegelt en onderzoekt of de ringen van alle ten gemeentehuize geregistreerde duiven zijn ingeleverd. Hij, bij wie een duif binnenvliegt of die op andere wijze een duif daadwerkelijk in zijn bezit krijgt, moet deze met de zich bij de duif bevindende berichtenkokers en mededelingen aan den dichtstbijzijnden burgemeester afgeven. Pootringen en dergelijke mogen niet worden afgenomen.”De burgemeester diende er voor te zorgen dat duiven zonder eigenaars of verwilderde duiven onverwijld werden gedood. Voor lachduifjes in huiskamerkooitjes gold de verordening niet. Er werden straffen in het vooruitzicht gesteld van 5 jaar cel of 10 jaar tuchthuis. Op woensdag 29 december 1943 werd rond 10 uur ´s avonds een Halifax-bommenwerper van de RCAF, de Royal Canadian Air Force, na een geslaagde bombardementsvlucht op Berlijn, boven Twente neergeschoten door een Duitse nachtjager. In de romp van de neergeschoten bommenwerper werd een merkwaardige vondst gedaan. Het betrof een metalen kistje waarin zich een levende postduif bevond met een potlood, een elastiekje en een hulsje. Omwonenden die voor de Duitsers bij het vliegtuig waren namen het kistje mee. Omdat daar een Engelse tekst op stond, wierpen ze het in de gierkelder. De duif werd de volgende morgen vrijgelaten, nadat men een boodschap in het hulsje had gestopt en dat met een elastiekje aan zijn poot had bevestigd. Toen die middag enkele Engelse jachtvliegtuigen boven de neergestorte bommenwerper cirkelden, zei men tegen elkaar: “Kijk, de duif is in Engeland aangekomen!” Foto´s die tijdens de oorlog van militaire vliegvelden in Engeland zijn genomen, laten stapels kistjes zien van het soort, dat in de neergestorte Halifax werd gevonden. Kennelijk werden die duiven op bombardementsvluchten meegenomen en was dat een van de redenen, waarom de Nederlandse postduivenhouders hun dieren moesten afmaken. Dergelijke rechthoekige kistjes, aan de voorkant voorzien van een paar luchtgaten, zijn bewaard gebleven en vaak in oorlogsmusea te zien.  Na de Tweede Wereldoorlog heeft een delegatie van de RAF in Rotterdam 2000 postduiven officieel overgedragen aan Nederlandse duivenliefhebbers, zodat deze weer een basis hadden om op voort te bouwen.

 

 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

De Fleringer Molenbeek kronkelt vanuit noordoostelijke richting onder langs de Fleringer es met zijn Kroezeboom, gaat via een duiker onder de weg Tubbergen-Fleringen zuidwaarts,  gaat ongeveer gelijk op met de Herinckhaveweg door het landgoed Herinckhave en vult de grachten en molenkolk bij de havezate. Vervolgens, steeds zuidwaarts stromend, doorkruist ze het laatste weiland rechts van de Herinckhaveweg en gaat via duikers onder  de Ootmarsumseweg en het kanaal Almelo-Nordhorn door en  even ten oosten van de plek waar Huize Weemselo ooit stond en langs Dulder in de richting van de uitmonding in de Loolee.

Het is één van de vele beken die hun oorsprong vinden op de hellingen van de Twentse stuwwallen en eerst naamloos en later onder verschillende namen in dienst staan van de waterbeheersing, ooit zijn gekanaliseerd om hun waterafvoerende taak naar behoren uit te kunnen voeren en vervolgens weer door het waterschap gerenoveerd. Dus  hebben vele beken, zoals ook de Fleringer Molenbeek terwijl ze het landgoed Herinckhave aandoet -  hun bevallige vroegere loop teruggekregen. Vanaf de Herinckhaveweg ziet men ze nu eens links, dan rechts haar kronkelende route afleggen. Op het eind van die weg, is even rechtsaf, goed te zien, hoe ze het landgoed via een weiland verlaat.

Bronbeken

 De meeste watergangen in het Twentse boerenland zijn van oorsprong bronbeken. Ze hebben echter hun natuurlijke loop en natuurlijke gedragingen verloren. Wel zijn vele bronbeekjes, de eerste meters van later soms belangrijke waterlopen, ongerept gebleven. In het 135.000 hectare grote werkgebied van het in Almelo gevestigde waterschap Regge en Dinkel kabbelt rond 50 kilometer aan bronbeekjes naar lagere delen. De bovenlopen dus van benedenstrooms vaak belangrijke waterleidingen. Op een mooie voorjaarsmorgen stonden we op de helling van de 85 meter hoge Tankenberg, ten noordoosten van Oldenzaal bij één van de bronnen van zo’n beek. Een smal karrespoor had ons langs de rand van het landgoed Egheria gebracht. We keken uit over glooiende weiden die werden afgewisseld door boomgroepen en houtwallen. Daar beneden denderde het verkeer over de weg Oldenzaal-Denekamp en ver in het noordwesten was net tussen een opening in het geboomte de top van de Kuiperberg bij Ootmarsum te zien. De stuwwal Ootmarsum-Uelsen en de stuwwal Oldenzaal-Lonneker, waarvan de Tankenberg deel uitmaakt, zijn de belangrijkste heuvelruggen van Twente en moeten 150.000 tot 100.000 jaar geleden door het oprukkende landijs van de een na laatste IJstijd zijn gevormd. Die heuvelrijen hebben vaak een kern van Tertiaire klei, nalatenschap van de zee, die tussen 60 en 2 ½ miljoen jaar geleden Twente van tijd tot tijd uitkoos als bodem of kuststrook. Die klei laat geen water door. Het regenwater dat op de heuvels valt sijpelt door de bovenste laag dekzand omlaag tot die kleilaag wordt bereikt. Dan breekt het uit de helling en dat is dan een bron.

 

Paradijsje

Zo zijn dus de 125 Twentse bronnen ontstaan. Vlakbij ons glinsterde een rond plasje in een brede krans van bloeiende vergeet-me-nietjes. Een paradijsje. Een piepklein bronmeertje. Hier vloeit het water uit de bodem, wordt even opgehouden door een duikertje voor het verder in noordwestelijke richting de helling af mag. Net lang genoeg om het vijvertje gevuld te houden. Het water sijpelde daar tussen beuk en vlier en goudveil tevoorschijn. Vooral vlier, goudveil en de blauwbloeiende vergeet-me-nietjes zijn kenmerkend  voor de vegetatie langs het begin van een bronbeek. Maar ook bosklaverzuring en bittere veldkers. Het water dat uit de helling van de Tankenberg stroomt, heeft een temperatuur van 11 graden Celsius. Al het bronwater heeft die temperatuur, is zomers dus koel, voelt dan zelfs ijskoud aan, maar bevriest in de winter daardoor niet. Het water dat hier aan onze voeten omlaag stroomde, van een hoogte van 70 meter, zou over drie  dagen via  de Loolee en het Lateraal Kanaal bij Almelo bereiken. Het had dan een verval dat natuurlijk op de eerste kilometers het grootst is, van 60 meter overbrugd. Via het Lateraal Kanaal en de Linderbeek zou het dan bij Den Ham in de Regge terecht komen, die bij Vilsteren uitmondt in de Vecht.Beneden onze standplaats, op de in pasteltinten gestoken aren van de grassen op de hellingweiden, ontsprongen meer bronnen en samen maakten ze het noordwest stromende waterloopje steeds breder. Voorbij de Mariahoeve, ten westen van de weg Oldenzaal-Rossum, dan op een hoogte van 35 meter plus NAP, krijgt het beekje pas een naam. Daar begint het waterschap zich verantwoordelijk te voelen voor het onderhoud.

 

 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

Na de tweede rotonde bij Albergen in de weg Almelo-Ootmarsum, gaat, meteen na eetcafé Coophuys de Weemselerweg rechtsaf. Ze kruist het Almelo-Nordhornkanaal en zal dan tot waar de Zondermansweg zich afsplitst, blijven boeien. Het tracé van het gedeelte van de weg tussen de boerderij van Cor Loohuis (Hemkesdieks), Weemselerweg 25 en het huis van Berend Loohuis (nummer 29) is zeer oud.

Waar nu tegenover laatstgenoemd adres een karrenspoor zich afsplitst, boog de weg vroeger naar rechts, in de richting van het erve Zonderman.  Nu gaat ze rechtdoor, in zuidelijke richting. Bij eerstgenoemde boerderij buigt de Weemselerweg  met een scherpe bocht naar links en gaat de Diekersweg rechtdoor.

Eeuwenoud tracé

Vroeger, nog tot 1900 lag ze op dit punt in het verlengde van een uit het noorden komende zandweg. In die tijd was op deze plek dus sprake van een kruispunt. Ten zuiden van het kanaal is die zandweg nog aanwezig. Volgt men vanaf de Zenderseweg in Albergen de Molendijk, dan bereikt men namelijk na de rundveehouderij van de familie Oude Nijhuis(Molendijk 4) een kruispunt van zandwegen. Rechtsaf belandt men hier op de noordelijke kanaaloever. Voor het kanaal werd gegraven (1884-1889) kwam deze zandweg dus uit op de plek, waar bij de boerderij van Cor Loohuis de Diekersweg  zich afsplitst en de Weemselerweg scherp naar links afbuigt. De zandweg verloor na 1900 haar functie en maakte plaats voor een nog bestaande houtwal. Maar was wel het eeuwenoude tracé van het noordelijke deel van wat nu de   Weemselerweg heet en die dus bij de boerderij van Loohuis naadloos aansloot op deze weg.

 

Beltmolen

Bij het volgen van de Weemselerweg komt net ten zuiden van het kanaal Almelo-Nordhorn, op het eind van een fikse oprit tussen houtgewas door een boerderij in zicht die vanouds de naam erve De Mulder draagt. Van de beltmolen die hier vanaf 1413 stond en waarmee de naam van de boerderij verband houdt, is niets meer over. Maar eeuwenlang moet hier de boerenwoning van de molenaar hebben gestaan. De gevel van de boerderij draagt nog een steen, waarop de Weemselermolen is afgebeeld. Een graanmolen die eigendom was van de bewoners van de havezate Weemselo, die in deze omgeving stond. De verhoging, vanwaar de windmolen zich eens verhief, is nu met bomen begroeid. In de woonkeuken van de boerderij bestaat de vloer nog uit een aantal molenstenen, overigens nu door vloerbedekking aan het oog onttrokken. Een andere herinnering aan de Weemselermolen is echter voor goed verdwenen. Dat was een gedicht, dat ooit één van de ramen van het huis sierde. Dat luidde als volgt: “Tot u, O Weemselo,Heb ik dit huis gesticht,Bewaar het door uw gunst,Ontvang het door uw licht, Dit wens ik van u ten allen tijd,Die altijd hoopt en blijft en zijt,Uw dienaar. J.Mulder 1776”

 

Erve De Mulder

Het erf werd in de 15e eeuw “De Weemselermolen”genoemd. Tal van molenaars zullen hier in de loop der eeuwen hun leven hebben gesleten en de boerenplaats zal dan ook vele namen hebben zien komen en gaan. Het erve De Mulder had in de 17e eeuw dubbele bewoning. Een deel was in gebruik bij de molenaar en andere familieleden dreven er een boerenbedrijf. In 1688 was Hendrik de Weemseler mulder en in 1710 was Wolter Mulder er zowel boer als molenaar. Zijn oudste zoon, Jannes, pachtte in 1779 de molen van Weemselo. Na zijn overlijden, trouwde zijn weduwe met Bernard Gebbink uit Groenlo. In 1847 kwam er een einde aan de combinatie boer/molenaar. De Gebbinks beperkten zich verder tot het boerenbedrijf en voor de molen meldde zich Gerard Vleerbos uit Mander als nieuwe molenaar. In 1872 werd de molen afgebroken en vervangen door nieuwbouw. In 1885 werd het molencomplex door brand verwoest om vervolgens spoedig herbouwd te worden en als molenaar meldde zich toen Jens Lohuis, die tot 1915 in functie bleef. In 1916 werd de Weemselermolen afgebroken. In 1920 meldde zich van de Gebbinks nog weer een opvolger op de boerderij, in 1958 door huwelijk vervangen door de naam Wilmink, die tot nu gehandhaafd bleef. Maar nog altijd wordt de boerderij en  ook de boerenfamilie  De Mulder genoemd.

 

 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

Rijdt men vanaf de rotonde bij de Knoefbakker richting Geesteren, dan gaat bij het begin van de bebouwde kom de Huyerenseweg linksaf. Genoemd naar de buurtschap De Huijeren. Spoedig meent men door een openluchtmuseum te rijden. Want de nog volop voor het boerenbestaan in gebruik zijnde boerderijen, zoals het erve Effink en het erve Wulferink hebben veel van de inmiddels fraai gerestaureerde oude bedrijfsgebouwen langs de Huyerenseweg “uitgestald”, of liever gezegd: in tact gelaten.

Zo is dit gedeelte  van deze weg één van de aantrekkelijkste stukjes straat van de gemeente Tubbergen geworden. Men vindt er namelijk een nauwelijks in Twente nog voorkomende schuur met doorrit (deurreed) en overstek, een schuur met een heidegevel, strovlechtwerk en vakwerk, een bijzonder bakhuis uit 1847, mooie geveltekens en op de koop toe ook nog enkele oude boerderijen, waarvan één met onderschoer en schampstenen.

Hooischuur

Tegenover het erve Effink (nu Dierink) staat rechts van de Huyerenseweg de lange hooischuur met doorrit (zie foto) en met een overstek, waaronder vroeger een oogst- of hooiwagen gestald kon worden. In  elk geval kon via de doorrit de met hooi geladen wagen gemakkelijk in- en de lege wagen uitgereden worden, nadat het geurige wintervoer opgeslagen was. Verondersteld wordt dat hier in eerste instantie een gewone hooischuur heeft gestaan. Vervolgens werd er een uitbouw, een overstek aan bevestigd. Zo’n overstek kan, terwijl deze bleef bestaan, tot verlenging van de schuur hebben geleid, waardoor dus een doorrit ontstond. Opnieuw werd daarna een overstek aan de gevel gebouwd en zo zou ook een tweede doorrit kunnen zijn ontstaan. Deze schuren komen volgens boerderijdeskundige Herman Hagens uit Almelo, wat Twente betreft alleen voor in de Losserse buurtschap Beuningen en de gemeenten Denekamp en Tubbergen en ten westen van Almelo. Over het algemeen zijn het bouwsels van vijf of zes gebinten met de doorrit in het midden.  De overstek is  wellicht in de 19e eeuw aangebracht aan een veel oudere schuur.

 

Pachthoeve

Hagens vond namelijk de niet meer functionerende balkjes van een houten geveltop op de plek waar de uitbouw was aangebracht. Het erve Effink( in 1953 ook wel Everink genoemd) is een eeuwenoude boerenplaats. Begin 17e eeuw werd het het Everman genoemd en was in die tijd een pachthoeve. Het had toen de beschikking over rond 7 hectare bouwland, waarvan echter 3 hectare braak lag. Ook hoorde, voor die tijd, vrij veel hooiland bij het boerenbedrijf, namelijk ruim 2 hectare.  Dat het een pachthoeve was, was niets  bijzonders. Het overgrote deel van de Geesterse boeren werkte toen op gepachte bedrijven. Van de 21 in het Verpondingsregister van Twente van 1601 genoemde boerderijen in Geesteren hoorden 17 aan kloosters, rijke burgers of de adel. Zoals het Klooster Frenswegen, Van Beverforde uit Albergen of de richter van Uelsen. Slechts vier waren zogenaamde “vrije goederen”waarvan echter bij twee wordt vermeld: “met veel schulden beladen”.

 

 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

Tegenover de hooischuur met doorrit staat konende vanaf Geesteren links van de Huyerenseweg het erve Effink (nu Dierink). Op de grond, aan weerskanten van de “niendeuren” zijn voorzieningen aangebracht, die nu geen dienst meer doen, maar herinneren aan de tijd dat de boer zo met de oogstwagen de deel op reed. Daarbij konden de nokken van de assen of de wielen gemakkelijk de muur of de deurposten beschadigen. Om dat te voorkomen, werden de zijkanten voorzien van zogenaamde schampstenen, vaak van zandsteen, waarop de wielen afschampten.

 “Niendeur” overigens betekent niet anders dan benedendeur. Het woongedeelte was het bovenend van de boerderij en de buitendeur werd dan ook bovendeur genoemd en het  daar soms aan vastgebouwde vertrek de bovenkamer. 

Onderschoer

Vanaf de 17e eeuw schijnen boerderijen te zijn gebouwd met een onderschoer, zoals bij het erve Effink ook aanwezig. Met die naam zou een aan één zijde open schuur worden bedoeld. Schoer betekent inderdaad schuur, maar de Twentenaar gebruikt dat woord alleen voor een onweersbui.  Omdat bij een boerderij met rechte gevel het aanbrengen van een onderschoer voor de inrijdeuren bouwtechnisch niet nodig is – bij een boerderij met wolfsdak of een boerderijdak met wolfsend wel een goede oplossing – weet men  nog steeds niet waarvoor de één gebont diepe nis werd gebruikt. Sommigen menen voor het overdekt uitvoeren buitenshuis van brandgevaarlijke werkzaamheden zoals het vlas hekelen en wannen van graan. Er zouden zelfs politieverordeningen bestaan, die dat werk binnenshuis verboden. Van oorsprong hadden bij zo’n boerderij, tot de Saksische driebeukige hallenhuizen  behorend, de muren geen dragende functie. Daartoe dienden de gebinten. Het zogenaamde “vierkante werk”. Een gebint bestaat uit twee stevige eikenhouten stijlen, staanders, met elkaar verbonden door een gebintbalk. Meestal is deze een eindje onder de kop van de staanders vastgemaakt met houten pinnen en voorzien van een steunbalkje, Ankerbalkgebint.

 

Grote zolder

Hierdoor ontstond een grote zolder, waarop vroeger de rogge en later het hooi werd opgeslagen, op een vloer van zogenaamde sleten, smalle stammetjes. De ruimte tussen twee gebinten wordt het gebont genoemd. Althans in Twente. In de Achterhoek spreekt men van gebintvak.  Een gebont is drie tot vier meter lang. Een Twents gezegde luidt dat de  vrouw de baas is in het eerste gebont, het gedeelte van de boerderij waar het gezin verbleef. Het zogenaamde “vierkante werk”, in dit geval van een schuur. De dwarsbalken tussen de staanders worden ook wel moerbalken genoemd. De lange horizontale balk is de gebintplaat, waaraan de dakspanten worden vastgemaakt, de schuine steunbalkjes noemt men korbeel of stekbaand. Het erve Effink(in 1953 ook wel Everink genoemd) is een eeuwenoude boerenplaats. Begin 1600 werd het Everman genoemd en was in die tijd een pachthoeve. Het had de beschikking over rond 7 hectare bouwland, waarvan echter 3 hectare braak lag. Ook hoorde, voor die tijd, vrij veel hooiland bij het boerenbedrijf, namelijk ruim 2 hectare.

 

 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

Langs de Huyerenseweg in Geesteren staat deze bijzondere schuur. Overigens fraai gerestaureerd zodat het nog lang een stille getuige kan zijn van het vroegere boerenbestaan. Bijzonder is vooral de heidegevel. Verder vallen natuurlijk ook het strovlechtwerk en de vakwerkmuren in de smaak. Die vakwerkmuren herinneren aan de tijd, dat de balken nodig waren om tussen de vakken vlechtwerk van hazelaar- of wilgentakken aan te kunnen brengen, die vervolgens werden bestreken met leem dat vermengd was met kortgesneden stro.

Bij het slopen van een dergelijk van vakwerkmuren voorzien bouwwerk worden in de horizontale balken gaten zichtbaar. Daarin werden de staken  gestoken, waaromheen men het vlechtwerk aanbracht. Overigens betekent vakwerk volgens dr. Bezoen vlechtwerk.

Leem

Het leem, waarmee ook de deel, de vloer van het bedrijfsgedeelte van de boerderij werd verhard, werd ook wel eens vermengd met koemest. Het vreemde is dat deel eigenlijk houten vloer betekent. De balkjes die nu het muurwerk in rechthoekige vakken verdelen worden eigenlijk regels genoemd, wat de horizontale betreft en stijlen; zo heten de verticale.  Heide werd vroeger niet alleen gebruikt voor gevels van schuren en schaapskooien, maar ook voor  voorgevels van boerderijen. Meestal werd de gevel voorzien van een raamwerk van latten, waar de heide tussen gestoken werd om vervolgens met wilgentwijgen op de plaats te worden gehouden. Boerderijdeskundige Herman Hagens over de heidegevels: “Heidegevels kwamen vroeger veelvuldig voor in Twente, sporadisch kan men ze hier en daar nog aantreffen, zij het uitsluitend aan schuren of schaapskooien, zoals onder Geesteren en Hezinge.

 

Strowanden

De oude bewoonster van het boerderijtje Het Loo te Reutum wist in 1962 nog te vertellen dat ze zich herinnerde dat haar huis vroeger een “heetgewwel” had. Zowel heide voor de gevel als stro voor de zijwanden worden op het raamwerk van latten gebonden, beter gezegd geklemd tussen deze latten en lange twijgen worden door de heide- of stromat heen op elkaar gebonden. Bij strowanden worden de bindtwijgen aan de buitenkant afgeschermd met een geknoopt bosje stro of door in een ruitvormig patroon aangebrachte strobossen, waarbij de knooppunten liggen over de bindtwijg. Een regelmatig patroon van knopen gaf dan tevens een prachtig regelmatig strovlechtwerk te zien.”

 

 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

Langs de Huyerenseweg strekt zich aan weerskanten ook het omvangrijke gebouwencomplex van het erve Wulferink uit. Zoals rechts een paar fraaie boerenhuizen of huisvormige schuren met geveltekens op de kruising van de windveren en dubbele deeldeuren. Die worden in Oost-Twente en het aangrenzende Duitse gebied niendeuren genoemd(afgeleid van benedendeur), maar in de Gelderse Achterhoek ook nedendeur of nendeur (van beneden), achterdeur en in De Liemers bansdeur, zoals ook in Noord-Overijssel en het aangrenzende Drenthe het geval is.

Daar wordt de deel baander genoemd en de deeldeur dus ook wel baanderdeur. In Noord-Brabant spreekt men gewoon van staldeur en op de Veluwe van achterdeur als de deeldeuren worden bedoeld. De beide deuren aan weerskanten van de inrijdeur werden gebruikt bij het uitmesten van de paardenstal of grupstal.

Grupstal

Voor de ligboxenstal in gebruik kwam stond het melkvee in het winterhalfjaar vastgebonden aan de reppels in de grupstal. Die reppels of stalpalen staken onder in het grondhout en waren boven aan de steekrij bevestigd. Dat was een horizontale balk die de gebinten op halve hoogte van de stijlen in de lengte met elkaar verbond. Achter de koeien bevond zich een soort goot. In de grupstal werd de koeienplas niet meer, zoals in de potstal(+), door het strooisel opgevangen, maar vloeide in de gierkelder. Die werd van tijd tot tijd geleegd en met een giertank, die rond 500 liter tegelijk kon vervoeren, over de weilanden verspreid. “Aalten” noemde men dat. Dat gebeurde alleen bij regenachtig weer, omdat het gras anders te veel te lijden had van de koeienplas. Kleine boeren zag men wel met een speciale kar, een soort rechthoekige kist op wielen, het land op gaan, waaruit ze met een langgesteelde schep de inhoud verspreidden. Maar de grotere boeren hadden wel een door het paard getrokken giertank (zie foto) ter beschikking. De vaste mest ging naar de mestvaalt. Vanaf midden jaren zestig gingen steeds meer melkveehouders er toe over in de grupstal een roostervloer aan te brengen. Daarmee was de drijfmest geboren. De gierkelder was toen veel te klein en werd vervangen door grote ondergrondse ruimtes, waarin voor maanden de vloeibare mest kon worden opgeslagen. Tevens was toen een ander soort tank nodig: de drijfmesttank, die 8.000 tot 10.000 liter kon vervoeren. Het was afgelopen met het arbeidsintensieve uitmesten van de stal en de aparte verspreiding van vaste mest en koeienplas. Geleidelijk diende zich toen al een ontwikkeling in het boerenbestaan aan die tot de huidige eenmansbedrijven zou leiden. Arbeid maakte plaats voor het kapitaal: de  machines.

 

Oud

Het erve Wulferink is zeer oud. De prior van het klooster in Albergen, die over de periode 1520-1525 een soort dagboek bijhield, maakt melding van een lening aan het klooster, gedaan door een zekere “Wulfer uit Gheijsteren”. Hij schrijft dan dat rond 1495 verscheidene burgers en boeren in Twente zich konden verheugen in een algemene welstand, in het bezit van “rijkelijk veel geld en vee, zodat het destijds heel geen moeite kostte om van de boeren geld op rente te verkrijgen”. In dit verband noemde de prior Wulfer uit Geesteren “boven de gewone norm rijk en gaarne bereid om aan het convent, ook wel op langen termijn, geld te verstrekken, zelfs voorschotten om niet”.  Rond 1475 werd het erve Wulferding genoemd, begin 1600 Wulfert of Wulfardt. Het was een vrij goed, wat heel bijzonder was in die tijd toen vrijwel alle Twentse boerderijen eigendom waren van de adel, rijke burgers, kerken en kloosters. In het Verpondingsregister van Twente van 1601 wordt vermeld dat bij het bedrijf toen rond 5 hectare bouwland hoorde, waarvan ruim een hectare braak lag en een oppervlakte aan hooiland van rond anderhalve hectare. Maar ook dat er een schuld op het bedrijf rustte van 800 gulden.

 

(+) De potstal is tot de beginjaren van de 20e eeuw in gebruik geweest. Op de verdiept aangelegde vloer stond het vee op de eigen mest, die geregeld werd voorzien van strooisel als gras- en heideplaggen, humusrijke aarde van onder de graszoden, later ook stro van koolzaad, boekweit en rogge. Zodra de koeien met hun horens bijna het dak raakten, werd de mest verwijderd. Dan staken de koppen van  de koeien soms net boven de deel uit.

 

 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

Nog  voor de Huyerenseweg naar links afbuigt, staat pal langs de straat een bakspieker, een bakhuis, met een inpandige oven. Hoewel de stenen in de langgevel anders doen vermoeden, dateert het uit 1847. De gevelsteen met het jaartal 1842 is namelijk van de boerderij van het erve Wulferink en bij de restauratie van het bakhuis in 1974 in de muur aangebracht. Het bakhuis heeft over de hele oppervlakte een aardappelkelder.

De meeste bakhuizen hebben een  buiten  aangebrachte oven en verder volstond men ook wel met alleen een oven op het erf, vaak rondom afgeschut door een hegje.

Eigen brood bakken

Tot het einde van de 19e eeuw en ook nog wel tijdens de eerste wereldoorlog bakte menig boerin haar eigen brood. In Twente vooral het zwarte roggebrood, geweldenaars van 20 tot 35 pond soms. Voor het bereiden van deeg werden grof gemalen, eigenlijk twee keer gebroken roggekorrels gebruikt. Het deeg werd in zo’n bakspieker in de houten, soms wel drie meter lange trog met de blote voeten gekneed. Overigens pas nadat er eerst zuurgeworden deegresten van de vorige bakdag, soms vier tot zes weken geleden, aan werden toegevoegd. Zuurdesem. Dat zorgde er voor dat het een enigszins luchtig baksel werd. Een halve dag brandde hout of turf in de oven en na verwijdering van de as, schoof de boer of boerin met een platte houten schep met een lange steel het deeg er in. Men sloot de oven af met een ijzeren deurtje of een losse halvemaanvormige plank. De oven moest absoluut luchtdicht worden afgesloten. Eventueel werd rondom het deksel brooddeeg of leem gesmeerd. Want het vrij natte deeg – het bestond voor 20 tot 35% uit water – gaf bij het gaar worden veel stoom af en dat moest in de oven blijven. Anders kwam er later een uitgedroogd, onsmakelijk baksel uit.

 

Molenaars

Tijdens het bakken werd het roggebrood dus als het ware gaar gestoomd. Vaak werd het brood pas na 24 uur uit de oven gehaald. De lange bakduur en de grote hitte – waardoor de suikers in het meel carameliseerden – waren de oorzaak van de haast zwarte kleur van het baksel. Eind 19e eeuw raakten de bakovens en bakspiekers op de Twentse boerenerven in onbruik. Veel molenaars namen vooral tussen 1850 en 1900 dit werk over van het boerengezin. Daarmee kwam ook de loonbakkerij op. Boeren leverden het meel aan de bakker en kregen er brood voor terug. Voor 1 kilogram meel werd 1 kilogram brood geleverd. De verdiensten  voor de bakker bestonden dan uit de hoeveelheid meel, die hij bij het deeg kneden overhield. Want 20 tot 35% van het deeg bestond immers uit water. Ook bleven velen zelf het brood kneden en brachten dat naar de molenaar/bakker. Nog rond de eerste wereldoorlog deed men dat en liet het brooddeeg dan tegen een bakloon van 8 cent(1913-1914) gaar bakken in de oven van de molenaar.

 

 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

Langs het stukje van de Huyerenseweg dat we verkenden zijn op de samenkomst van de windveren bij bijna alle boerderijen en schuren  geveltekens aanwezig. Voornamelijk de rooms-katholieke met kelk, hostie en kruis en de typisch Geesterse geveltekens met binnen de plank uitgezaagde motieven van Germaanse oorsprong. Het bakhuis op het erve Wulferink heeft ze zelfs allebei In Twente zijn veel oude boerderijen nog  voorzien van geveltekens.

Het gevelteken, waarmee de topgevel wordt bekroond, kan zowel uit heidense als christelijke symbolen bestaan. Zoals het zonnerad van de Germanen of de donderbezem of een kruis, hostie en kelk. De laatste vorm zou uit de tijd van de reformatie stammen. Rooms-katholiek gebleven boeren gaven daarmee hun trouw aan het oude geloof aan.

Geveltekens

Hoewel ze hun betekenis allang hebben verloren, worden geveltekens nog steeds aangebracht. Want  vaak ziet men nieuwgebouwde huizen die, wat het exterieur betreft, imitaties zijn van de Nederduitse hallenhuizen en daar ontbreekt zelden een gevelteken. Wie geïnteresseerd is in gevel- en stiepeltekens,  wie meer wil weten over de diepere betekenis van deze opmerkelijke versiering van het Twentse boerenhuis, kan ten rade gaan bij het museum Palthehuis in Oldenzaal. In het archief zijn daar honderden tekeningen te vinden van geveltekens, die door een inwoner van de oudste Twentse stad zijn gemaakt en verzameld tijdens zwerftochten door de boerschap. Ook de bekende Twentse architect Jan Jans heeft de eerste decennia van de vorige eeuw “meer dan 400 exemplaren met de tekenstift vastgelegd”, zoals hij in zijn boek “Landelijke bouwkunst in Oost-Nederland”, vertelt. “In Oost-Twente vond ik de grootste variatie, maar toch hebben de voor dit gebied typische geveltekens, die oprijzen uit de punt, waar de windveren sluiten, alle één ding gemeen: ze zijn gemaakt uit een plank, die ongeveer 20 centimeter breed en 1 tot 1.40 meter lang is,” aldus Jans in genoemd boek. Hij verhaalt ook van de nog hier en daar aanwezige geveltopversiering van gestileerde paardenkoppen. Paardenschedels zouden volgens een andere Twentse streekhistoricus geluk brengen aan huis en bewoners.

 

Onheilafwerend

Jans daarover: “De paardenkoppen als gevelteken hebben ongetwijfeld een symbolische, waarschijnlijk onheilafwerende betekenis gehad.” Deze geveltekens werden dus in eerste instantie op boerenhuizen aangebracht omdat de bewoners dachten dat ze onheil afweerden.  Blikseminslag, brand, storm en oorlogsgeweld hebben de eeuwen door de  boerschap geteisterd. Meer dan eens rezen rookpluimen op aan de horizon. Weer een ramp, weer een getroffen boerengezin. Natuurlijk probeerde men zich te wapenen tegen onheil, tegen het verlies van huis en haard. Daarvoor werden praktische maatregelen genomen. Zoals het beplanten van strooien of rieten daken met het vetplantje huislook. De wortels daarvan hielden de dakbedekking op zijn plaats en de plantjes zelf konden met hun met vocht gevulde stengels en blaadjes brand voorkomen. Karel de Grote verplichtte de boeren zelfs, dit plantje op hun brandbare daken te poten. Tijdens storm en onweer stak men de op Lichtmis, 2 februari, gewijde kaarsen aan, om onheil te voorkomen. Dan werden zelfs de klokken geluid en de randschriften op oude kerkklokken getuigen van het geloof in de waarde van hun beieren. Zoals: “met mijn gebeier verdrijf ik de boze geesten”. Maar vooral de gevels van het bedrijfsgedeelte van de boerderij, het mooiste gedeelte van de oude Saksische boerenhuizen, en die van de schuren werden dus voorzien van rampen afwerende elementen. Althans voorzieningen, die men magische krachten toedacht. Op de foto’s ziet u een typisch Geesterens gevelteken op het bakhuis langs de Huyerenseweg en dee zogenaamde donderbezem.

 

 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

De Herinckhaveweg begint rechts van de weg Tubbergen-Fleringen. Er is een kleine parkeerplaats, vanwaar men de door bos begeleide weg kan volgen, maar waarbij eerst even rechtsaf dient te worden gegaan, om het erve Nijkamp te bekijken (zie foto), een schilderachtig boerenhuisje met vakwerkmuren en half riet, half pannen gedekt en met loslopende kippen op het erf. Erve Nijkamp staat er op het witte hek. Ooit was het eigendom van Herinckhave.

Dan richten we onze aandacht op de beide hekpijlers (zie foto) aan weerskanten van het begin van de lange oprijlaan naar de havezate. Op één daarvan staat het wapen van de Von Bönninghausens, de laatste adellijke familie die het Huis bewoonde. Een snoek die zijn  gekroonde kop boven het water uitsteekt. Maar erg duidelijk is dat adellijke wapen niet meer zichtbaar in de zachte zandsteen. Op de andere hekpeiler is het wapen te zien van het geslacht Von Heyden. Dat betekent dat de beide hekpeilers vermoedelijk uit het midden van de 19e eeuw stammen.

Burgemeester

Want het was de in 1828 geboren Lodovicus Ernestus Franciscus Jacobus von Bönninghausen die in 1852 in het huwelijk trad met de in 1824 geboren Johanna Theodora Frederica Charlotta von Heyden.  Deze Von Bönninghausen zou in 1855 burgemeester van Tubbergen worden. Hij overleed in 1910 en het duurde tot 1917 voor zijn kinderen het eens konden worden over de verdeling van zijn erfenis en toen bleek ook pas dat hij de Kroezeboom op de Fleringer es met een stuk grond in een straal van 20 meter rondom de boom aan de roomskatholieke parochie van Tubbergen had geschonken.  Het wapen van de Grubbe’s bestond overigens uit een zilverkleurige ram op een rood veld. De kleuren van het wapen van de Von Bönninghausens zijn wit en blauw. Die kleuren vindt men bijvoorbeeld ook op de slagboom aan het begin van de Herinckhaveweg.

 De hoge beuken en eiken langs de Herinckhaveweg en het bos zijn bij lange na niet zo oud als het tracé van de laan zelf. Het is zelfs zeer waarschijnlijk dat Herman van Vlederingen  in de 15e eeuw al gebruik van deze weg heeft gemaakt evenals tegen het einde van die eeuw de Grubbes die  tot het begin van de 18e eeuw de dienst zouden uitmaken op Herinckhave, dat toen in de volksmond het Grubbenhuis werd genoemd. In 1723 meldden de Von Bönninghausens zich door huwelijk op de havezate en zijn zouden er bijna 2 ½ eeuw later pas weer weggaan.

 

 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

De Herinckhaveweg gaat regelrecht op havezate af, die al sinds vele vele tientallen jaren   geen onderkomen meer is voor een adellijke familie. Toen met de restauratie onder auspiciën van de Kastelenstichting werd begonnen, verliet de laatste Jonkheer, Ernst von Bönninghausen het goed. Het kasteel is toen verhuurd aan één van de gegadigden die zich voor bewoning van het herstelde pand meldden, de heer Koning(!). Inmiddels heeft de havezate al weer een andere bewoner.

Er is nogal wat gebeurd, niet alleen met de havezate zelf, maar  ook met haar bewoners. In 1617, toen het landgoed havezate Herinckhoeff werd genoemd, stierven  bijvoorbeeld de kasteelheer en zijn vrouw, de Grubbes, samen met vijf van de zeven kinderen aan de pest.

Ingrijpende verbouwing

Vanaf 1620 was Herman Goessen Grubbe de kasteelheer. Hij was generaal in Münsterse dienst. De geschiedenis van wat in die tijd nog heette de Hof te Fleringen(Vlederingen) begon begin 14e eeuw, toen de heren Van  Fleringen er de scepter zwaaiden. In 1415 deden, door huwelijk, de Grubbes er hun intrede en vervolgens, in 1723, ook door huwelijk, de Von Bönninghausens. De eerste bewoner van dat geslacht, was Christian von Bönninghausen,  luitenant-kolonel  in Münsterse dienst. Hij zou bij verschillende oorlogen betrokken worden en twee jaar in Franse krijgsgevangenschap doorbrengen. In 1743 zou hij de havezate onderwerpen aan een ingrijpende verbouwing. Sommige bronnen spraken van verplaatsing van het huis van de oorspronkelijke plek, de omgrachte boomgaard, honderd meter oostelijker, naar de huidige. Nu wordt echter aangenomen, dat  het bouwwerk altijd op dezelfde plek heeft gestaan. Alleen het voorste gedeelte zou geheel zijn vernieuwd. De kelders daaronder blijken namelijk nog van het oude kasteel te zijn. Het achterste gedeelte zou dus nog van de voorganger  zijn geweest en dat brandde later, in de jaren vijftig van de vorige eeuw helaas af.  Christian stierf in 1771. Zoon Ferdinand, ook in Münsterse dienst, kwam in 1772 aan het roer. In 1780 nam Ludwig Ernst de “zaak” over en ook hij was militair, maar na een hevige ruzie  nam hij ontslag uit het Münsterse leger en in de Franse tijd maakte hij zich zo verdienstelijk voor de bezetters, dat hij door koning Lodewijk Napoleon tot ridder in de Orde van de Unie werd geslagen.

 

Brand

Vervolgens werd Franz Egon de Heer van Herinckhave, die zowel raadslid was in Tubbergen als lid van Provinciale Staten van Overijssel. Zijn zoon Lodi nam  het goed vervolgens voor het grootste deel over. Hij was ook lid van Provinciale Staten en werd in 1855 burgemeester van Tubbergen. Hij overleed in 1910 en vervolgens twistten de kinderen lang over de nalatenschap. In 1917 kwam het tot een compromis. Egon, Meinrad en Paul deelden de “buit” en Meinrad kreeg het huis. Hij was officier in Pruisische dienst maar zou later directeur worden van een verzekeringsmaatschappij. Hij stierf in 1920 en zijn drie zonen kregen toen het landgoed. Maar Lothar verongelukte in 1921 tijdens een jachtpartij en Egon en Ernst kregen ieder de helft. Egon is tijdens de oorlog nog een tijdje commisssaris van de provincie Overijssel geweest en sneuvelde in 1943 aan het Oostfront. Ernst en zijn moeder bewoonden vervolgens de havezate, maar toen in de nacht van 8 op 9 juni 1958  op de zolder brand uitbrak, was de weduwe al overleden. De bewoners konden zich met moeite in veiligheid brengen. Het achterste gedeelte van de havezate en de zolder van het voorste gedeelte brandden geheel uit.In 1968 gingen het huis met bijgebouwen, watermolen, molenkolk, grachten en de oprijlaan in erfpacht over in handen van de Overijsselse Kastelenstichting in Zwolle. Die liet de havezate restaureren, een karwei dat in 1978 werd afgerond.Wie nu voor de ophaalbrug staat, kijkt naar een bouwwerk dat grotendeels uit 1743 stamt, hoewel begin 19e eeuw aan de voorzijde ook nog heel wat veranderingen zijn aangebracht. Het huis werd toen ook met een verdieping verhoogd. De beide kanonnen op het voorplein zouden nog uit de Tachtigjarige Oorlog stammen. Ooit stonden ze bij het kasteel Doorwerth, dat langs de Rijn staat, in de buurt van Wageningen. Ze zijn aangekocht door één van de Von Bönninghausens.

 

 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

De bouwhuizen  bij een kasteel waren in veel gevallen bestemd voor economische activiteiten. Een bouwhuis werd dan ook wel het “economiegebouw” genoemd. Vaak zijn het twee identieke bouwwerken.  Meestal begrenzen ze aan weerskanten het voorplein en liggen net binnen de buitengracht.

Mooie bouwhuizen vindt men ook nog bij de havezaten Twickel in Delden, Huize Almelo en de rond Diepenheim gelegen adellijke onderkomens, zoals Weldam, het Nijenhuis, Warmelo en Huize Diepenheim.

Bouwhuis

Van de inmiddels  verdwenen havezate het Everlo in Volthe is alleen het in 1704 gebouwde bouwhuis nog overgebleven. Wat de bouwhuizen van het kasteel Twickel betreft, nog tot 1715 was in één daarvan een bierbrouwerij gevestigd. In dat bouwhuis bevond zich ook het rentmeesterskantoor  en op de zolders werd het graan opgeslagen dat de boeren verplicht waren te leveren als pacht in natura. In het rechter bouwhuis waren eens de koetsen ondergebracht, terwijl in het linkerbouwhuis de paarden stonden, in een tiental boxen, een stalinterieur dat naar Engels model in 1892 werd aangebracht. Daar vindt men ook nu de paardenstallen nog, maar tegenwoordig ook het Twickelse wagenpark uit de tijd van koets en tentwagen. In 1905 kwam de eerste auto op het kasteel, een Bentley. Daarvoor werd het rechterbouwhuis als garage ingericht. Later kwam er een Mercedes bij, die eerste vierdeursuitvoering van dit automerk in ons land. Vervolgens deden een Armstrong en een Sunbeam hun intrede. De laatste wagens waren een Volvo en een Mercedes. De beide bouwhuizen zijn in de periode 1978-1985 gerestaureerd.  1892 kwamen er nieuwe paardenstallen in één van de bouwhuizen. 

 

Bierbrouwerij

Van de beide bouwhuizen van de havezate Herinckhave was in 1812 in één een bierbrouwerij gevestigd en ook boden ze onderdak aan twee koetsen, vier paarden, evenals koeien en varkens. Tot enkele jaren geleden woonde en werkte in het rechter bouwhuis een boerengezin. Dat bouwhuis was toen ook als boerderij ingericht. De naar het voorplein gerichte zijgevel van dit bouwhuis ziet er in de herfst bijzonder fotogeniek uit omdat dan de bladeren van de wilde wingerd die de muren bedekken prachtig rood kleuren. Overigens is het ook in het voorjaar en tijdens de zomer rondom de bouwwerken binnen de buitengracht een lust voor het oog, omdat dan eerst de rododendrons en azalea’s prachtig bloeien en vervolgens is dat ook met de vele hortensia’s het geval. De beide bouwhuizen zijn rond 1740 tot stand gekomen, tegelijk met de nieuwbouw van de havezate.

 

 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

Vervolgen we onze weg over de Herinckhaveweg, dan zien we links de omgrachte boomgaard – waar enkele zeldzame hoogstam appelbomen staan – en rechts de oostelijke zijgevel van het linker bouwhuis. Ter Kuile schreef daar al over in 1911 in zijn boek “Geschiedkundige aantekeningen op de havezathen van Twenthe”: “In hooge mate schilderachtig is ter rechterzijde de ingang over de gracht, met zijne wit-blauw geschilderde poort, waarnevens in muurankers het jaartal 1742 en getooid met een vlug torentje, eindigend in een sierlijke windvaan.

Vol bekoring is ook de gehele omgeving van het ruim 660 hectare uitgestrekte landgoed”. Hier is in het bouwhuis de huiskapel ingericht waar gedurende enige tijd ook de  roomskatholieken van Tubbergen  ter kerke gingen. In 1812 werd in een boedelinventaris over de kapel gerapporteerd dat hier een altaar stond met een miskelk en een ciborie van koper, vier kandelaars en nog enig ander tinwerk alsmede een boekenkast.

Kapel

Bij tal van kastelen hoorde vroeger  een slot- of burchtkapel. Soms groeide daaruit zelfs de parochiekerk, zoals bijvoorbeeld in Almelo en in Saasveld het geval is geweest. Nog in 1775 wordt gewag gemaakt van de aanwezigheid van een kapel bij de plek, waar honderd jaar eerder het kasteel Weemselo stond dat toen door brand werd verwoest.”…een kapelle in een bequaemen staet, waar floer en zolder moet gerepareert worden.” De Grote Kerk in Almelo is voortgekomen uit een in 1236 bij het kasteel Huize Almelo gestichte burchtkapel. Daaruit groeide  het huidige kerkgebouw van de plaatselijke hervormde gemeente.  De in 1926 gebouwde kerk van Saasveld, staat op een complex dat is omgeven door een gracht, waar binnen zich nog tot in de 18e eeuw de muren van een machtige burcht verhieven.  Het slot, dat rond 1550 nog eens aanzienlijk werd uitgebreid en versterkt, werd in 1735 aangekocht door Maximiliaan Heydenreich Droste zu Vischering. Deze familie bewoonde het kasteel echter niet, waardoor het in verval raakte. De roomskatholieken van Saasveld hielden er nog wel hun godsdienstoefeningen in de burchtkapel en het Poortgebouw is tot 1821 in gebruik geweest als pastorie. Maar al in 1800 werd binnen de grachten, voor de ruïne van het slot Saasveld, een kerk gebouwd. 

 

Gebruik

Over het gebruik van de slotkapel van Herinckhave, tekent Ter Kuile aan:”In de geestelijke behoeften der katholieke inwoners en omwoners van Herinckhave werd in den tijd van en na de Tachtigjarige Oorlog met moeite voorzien; nu eens kwamen omstreeks 1600 de geplaagde katholieken samen onder den eeuwenouden Kroezenboom in de Fleringer Esch, dan weer werden door de huisgeestelijken der heeren van Eschede, Herinckhave en Weemselo in of bij hunne Huizen pastoralia bediend, terwijl door paus Benedictus XIV omstreeks 1758 verlof gegeven werd geregeld de Heilige Diensten te verrichten in de Huiskapel van Herinckhave, hetgeen door de overheid meer en meer door de  vingers werd gezien.”In hun boek De havezaten in Twente en hun bewoners stellen de auteurs Gevers en Mensema: “In 1769 werd toestemming gegeven van de apostolische nuntius te Brussel om in de kapel op Herinckhave missen te laten lezen, waarvan werd beweerd dat voor 12 jaren door paus Benedictus XIV al toestemming zou zijn gegeven. Al eerder, in 1688, zou er een huisgeestelijke op Herinckhave gehuisvest zijn geweest en diens opvolger zou in 1708 pastoor in Tubbergen zijn geworden. Naderhand werd één der bouwhuizen tot kerkschuur ingericht.”  Ze schrijven verder, dat “de kapel in het bouwhuis in de jaren 1910-1916 aanzienlijk is gewijzigd. In de vloer van de kapel liggen enkele grafzerken van bezitters van Herinckhave, die afkomstig zijn uit de kerk in Tubbergen. Het geheel is in 1978 gerestaureerd.In het dakruitertje bevindt zich een klok uit 1828”.

 

Mooie weggetjes in gemeente Tubbergen

 

Volgt men de Weemselerweg verder, dan bereikt men tenslotte bij de boerderij van de familie Loohuis een splitsing. Honderd jaar geleden lag hier ene kruispunt van zandwegen, maar met het graven van het kanaal verloor de noordelijke tak zijn functie en werd tenslotte opgeslokt door het boerenland. Hier gaat de Diekersweg rechtdoor en buigt de Weemselerweg linksaf en laat zich meteen van zijn mooiste kant zien, biedt uitzicht op een schilderachtig van veel geboomte en een enkel boerenhuis voorzien landschap en volgt een geul dwars door een langgerekte bouwkamp.

 Een holle weg is het daar, waar men de lange oprit nadert naar een boerderij, die bij de plek staat waar de havezate het Weemselo tot in de 17e eeuw nog fier overeind stond, voordat brand het omgrachte bouwwerk verwoestte.

Naamsverandering

Links van de weg staat dus het rundveebedrijf van de familie Loohuis. Al sinds 1865 staat op deze plek, toen nog midden in de heide, bij eerdergenoemd kruispunt van zandwegen, een boerderij, die toen werd bewoond door het echtpaar Oude Munnink-Blokhuis. Reeds 14 jaar later resideerde er het echtpaar Gasthuis-Haamberg. Eerder genoemd echtpaar was toen al overleden. Eerst overleed Oude Munnink, waarop zijn weduwe hertrouwde. Vervolgens stierf zijn en hertrouwde de weduwnaar. Zo kwam die naamsverandering tot stand. Een van de nazaten trad in 1883 in het huwelijk met Johannes Loohuis van ’t Hemke en vestigde zich elders. In 1898, toen het inmiddels een gezin had gevormd met vijf kinderen, vestigde dit echtpaar zich op de boerderij langs de Weemselerweg, waar nog eens zeven kinderen het levenslicht zagen. Één daarvan was de latere “Hemkesdieks”, die na zijn huwelijk op een inde buurt gelegen boerderijtje ging wonen, maar in 1927 de ouderlijke woning weer betrok. Zijn kleinzoon Cor heeft er lang een melkveehouderij gehad en ging onlangs over op de opfok van andermans kalveren.

Lubbersboer

Rechts van de Weemselerweg duikt hier een van rode pannen voorzien boerenhuisje uit de bosschages op, waar tot voor enkele jaren twee broers woonden die de bijnaam “Lubbersboer” droegen, maar die eigenlijk Tinselboer heetten. Hun voorgeslacht had een woninkje in het Schapenbos langs de Weemselerweg, waarvan het geboomte, dat hier dicht bij de Weemselerweg oprijst, nog over is. In dat bos woonde omstreeks 1660 een zekere Lubbert Schaeplo met zijn gezin. Twee van zijn zonen bleven thuis wonen, en toen ze eind jaren tachtig van de 17e eeuw in het huwelijk traden, bleven hun gezinnen ook het volkshoes trouw. Een zoon uit één van deze gezinnen, Wilhelm, trouwde omstreeks 1725 met Geertruida Engbers. Hij noemde zich toen ook wel Willem van het Lubbershuis, naar de voornaam van zijn grootvader. Hoe het hem en zijn gezin verder is vergaan, bleeek niet te achterhalen, maar van zijn eveneens op hetzelfde adres wonende neef Albertus, die zich Schaepelo noemde zou later een dochter, Hermina in huis trouwen met Martinus Bouhuis. In 1788 zou ze voor de derde keer  trouwen, na overlijden van haar echtgenoten en toen in 1790 nog een zoon werd geboren, telde het gezin zeven kinderen en drie vaders. Die zoon heette Gerardus en hij zou nog dienst nemen in het leger van Napoleon. Maar inmiddels wat het gezin al verhuisd naar de pek waar nu het kleine boerenhuis staat, warvan de bewoners de bijnaam Lubbersboer droegen. In 1874 was het één van de nazaten, huisnaaister van beroep en in de buurt bekend als Lubbersmi’jken, die in het huwelijk trad met Gerard Tinselboer. Nu werd het een hele drukte in en rondom het huis, waar niet alleen genoemd echtpaar, maar spoedig ook tien kinderen, hun oma en opa en twee tantes woonden. Van de tien kinderen trouwde er één thuis, in 1918, met Johanna Hoesman uit Zenderen. Dit echtpaar zag het huis twee keer door brand verwoest, na blikseminstal, namelijk in 1920 en 1951. Alleen de voorgevel bleeft overeind. Twee van hun zoons hebben nog niet zo lang geleden het boerenbedrijfje rustig aan het einde geloodst.

  

Mooie weggetjes in gemeente Tubbergen

 

Volgen we de Weemselerweg verder met aan weerskanten de steilrand van een grote bouwkamp, dan komt links de oprijlaan naar het Weemselo in zicht. Daar ongeveer tegenover, rechts van dew eg dus, vindt men nog wel eens wat bakstenen in het bouwland. Daar heeft namelijk ooit het Boshuis gestaan. In 1857 werd het afgebroken nadat er zich enkele dramatische sterfgevallen hadden voorgedaan.

Later is het een eindje verder, langs een pad dat tegenover het erve de Dieker de Diekersweg bereikte, herbouwd. Tussen 1846 en 1857 had het in een bos gelegen oorspronkelijke Boshuis leeggestaan en was in verval geraakt. In die tijd zei men in de buurt dat het er spookte. Er was ook veel naars gebeurd in dat huis en bij het passeren hoorde men er soms deuren dichtslaan en ramen klepperen.

 Bliksem

Omstreeks 1785 had zich hier, dichtbij het Weemselo, een zekere Hergelink gevestigd met zijn vrouw. Één van hun dochters trouwde thuis met Oude Wansink in november 1818 en zij heeft er niet veel geluk gekend. Uit dit huwelijk werden vier kinderen geboren, waarvan er twee jong stierven. Ook hun moeder werd niet oud. Ze stierf in 1844 en twee jaar later was Oude Wansink zelf aan de beurt toen hij tijdens werkzaamheden op het land door de bliksem werd getroffen. Een half jaar later stierf een van de twee overgebleven kinderen, nog maar 23 jaar oud en was alleen de 18-jarige Anna Maria nog over in het Boshuis. Ze wilde daar niet alleen wonen, midden in het bos en vertrok spoorslags naar Duitsland. In het voorjaar van 1857 kwam ze terug , nu met een tweejarig zoontje, Antonius.

 Bouwmaterialen

Van het in verval geraakte spookhuis werden de nog bruikbare bouwmaterialen gebruikt voor een nieuw onderkomen langs het pad aan de Dieker. Vanaf die tijd noemde men haar in de buurt “Bosmerie”. Ze verdiende de kost als katoenweefster. Dat ze niet afkerig was van mannen bleek, toen ze in 1865 een tweede kind kreeg. Dat was Gesina, die echter in de zomer van 1885, 20 jaar oud, overleed. Zelf stief “Bosmerie” in 1897 op 68-jarige leeftijd, nadat ze het huwelijk van haar zoon nog had meegemaakt. Hij vertrok met zin vrouw naar Haaksbergen en in 1898 werd het Boshuis afgebroken. In 1937 kwam een zoon van Antonius terug naar Tubbergen. Hij is daar jaren hoofd van de school geweest.

Mooie weggetjes in gemeente Tubbergen

Vanaf de Weemselerweg gaat een lange oprijlaan naar het erve Weemselo. Links van de boerderij en aan het einde van de laan stond het kasteel Weemselo, omgeven door een binnengracht, die tot voor enkele tientallen jaren, hoewel drooggevallen, nog was te zien. In 1973 is ze dichtgegooid , maar de plek waar het kasteel ooit stond heeft nog een veldnaam, die aan haar geschiedenis herinnert: Het Ferment. Vermoedelijk een verbastering van Fundament.

Het gehele complex was ook weer door een buitengracht omgeven. In 1934 is die gedeeltelijk nog open gracht gedempt. Ze liep toen nog rechts van het einde van de laan, om het zuidelijke deel van de boerderij heen.

 Bouwhuis

Vanaf 1603 was het reeds in de 14e eeuw bestaande goed Weemselo, eigendom van Johan Christian van Bevervoorde, vanaf 1626 van zijn zoon Johann Friedrich. Omstreeks 1678 was het goed van Engelbert von Beverförde, zoals de familie zich toen liet noemen. Vanf 1697 van Bernt Engelbert Christian Freiherr van Beverförde. Ze woonden er echter niet. Want na 1675 stond alleen het bouwhuis nog overeind. Het kasteel was inmiddels door brand verwoest. Op 28 augustus 1693 trouwde daar de pachter en rentmeester Herman Wansink met Aleida Reerink in het inmiddels dat jaar herbouwde bouwhuis. Een grote boerderij met de naam het Weemselo. Vandaar werden de bezittingen, zoals verschillende pachthoeven, onder anderen ook in Geesteren, beheerd. De bewoners zouden zich later Van het Weemselo noemen. Verschillende pachters hebben er vervolgens hun opwachting gemaakt tot de laatste, die zich Bartus op het Weemsel noemde,  maar eigenlijk Blokhuis heette, in 1812 de boerderij aankocht, die toen 13 hectare groot was, waarvan driekwart hectare uit waterpartijen bestond. Dat waren de grachten die toen bezig waren te verlanden.

 Brand

Tot 1812 zijn de Van Bevervoorde’s, die zicht alter Von Beverförde lieten noemen dus eigenaar geweest van de havezate. Een geadopteerde zoon van de Von Beverförde’s zou het bouwhuis tenslotte in 1812 verkopen. In 1882 brandde een deel van de boerderij af, tien jaar later werd het Weemselo publiek geveild. Bernhard Lenferink uit Fleringen was de koper, die in 1895 het pand gedeeltelijk vernieuwde. In 1775 heeft een priester uit Tubbergen. Op verzoek van de Von Beverfördes, een rapport opgemaakt over de toenmalige toestand van het complex. Het in 1693 gebouwde pand, het voormalige bouwhuis dus, werd toen nog het “adellijke huys Weemseloo” genoemd. Hij trof het aan in bouwvallige staat. Alleen de oostkant die een jaar eerder was vernieuwd, zag er nog goed uit. Het huis bestond uit vier vertrekken, zoals een keuken, een achterkamer, een opkamer met ene kelder en een binnenkamer. Verder de deel met de stallen met koeien en paarden, alles onder één dak.

Rechts van het huis bleek een kapel te staan, waarvan alleen de vloer en zolder reparatie behoefden. Links van het huis stond een schuur, een “schoppe”, die twee jaar eerder was opgeknapt. Ook stond op het erf een varkensschot, nog in goede staat, maar het bakhuis achter het huis was bouwvallig.

Grachten

Het complex was gedeeltelijk omgeven door een singel van vruchtbomen. Verder bevond zich naar het huis een moestuin, het “fondament”genoemd, omdat hier het kasteel had gestaan. Deze moestuin was omgeven door een gracht die verland was, de zogenaamde binnengracht. Het hele complex was voorzien van een buitengracht, die gedeeltelijk was verland. Men kon het Weemselo bereiken via een brug en een oude houten poort. Links en rechts van de boerderij stonden 100 eikenbomen, groot en klein. Ook hoorde nog een, overigens vervallen, schaapskooi bij het Weemselo, die in het bos “Schaape Loo”,  ruim een hectare groot en bestaand uit jong eikenhout, stond. Dwars voor het huis bevond zich een allee, die voor de helft van grote eikenbomen en voor de helft van jong geboomte was voorzien. Ze was 530 treden lang. Voor het complex bevond zich een straatweg die liep tot aan het bos het Sonder. Verder werden in de rapportage uit 1775 verschillende bij de havezate horende percelen grond genoemd, waarvan enkele veldnamen nu nog bekend zijn zoals de “Hespelsmate” en de “Winkelmate” (Winkelhook).

 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

 

Een lange oprijlaan voert vanaf de Weemselerweg naar de boerderij van de familie Veldhof, waar ooit het kasteel Weemselo stond, waar de Van Bevervoorde’s woonden. Daar vond een schaking plaats van een 14-jarige dochter van de Van Reede’s uit Saasveld. Gerard van Bevervoorde nam haar mee naar Arnhem. Het verhaal wil dan verder dat de dochter na enige tijd wel weer bij haar ouders terugkwam. Later is ze nog getrouwd met jonker Johann Tork. Maar haar moeder rustte niet, voor de edelman uit Albergen strafrechtelijk werd vervolgd. Vooral omdat hij overal rondbazuinde dat hij zowel met de moeder als met de dochter geslapen had.

 

Gerard van Bevervoorde was een tijd in dienst geweest van de Spaanse koning. Hij werd echter afgedankt en trad daarna in dienst van de Staten en werd luitenant van de ruiters van Wermelo, de drost van Salland. In 1591 veroverde hij zijn geboortehuis, het Weemselo, op de Spanjaarden. Op 8 augustus van dat jaar werd het echter onder aanvoering van de Graaf van Berg heroverd en vervolgens zoals eerder vermeld, in brand gestoken.

 

Gevangen

In de nacht van 1 op 2 april 1592 nam Van Bevervoorde het kasteel Saasveld in en verdreef het daarin gelegerde Spaanse garnizoen. Het vermoeden bestaat dat Gerard vervolgens door de Spanjaarden gevangen is genomen, waarop de Spaansgezinde Van Reede’s hun kans schoon hebben gezien. In 1597 is Gerard van Bevervoorde namelijk in Brussel tot de dood veroordeeld en onthoofd, waarbij moeder en dochter Van Reede zouden hebben toegekeken. Elizabeth zou later van het kleed, waarop het hoofd van de schaker van Anna was gelegd, een jurk hebben gemaakt en haar dochter hebben gedwongen dat aan te trekken. In het in 1824 in Amsterdam verschenen boek over het geslacht Van Bevervoorde, geschreven door een zekere Engbers uit Uelsen, wordt dit verhaal overigens in twijfel getrokken. De vader van Gerard, Johan van Bevervoorde, zou in 1577 zijn getrouwd en zijn zoon kon ten tijde van de schaking dan hoogstens een jaar of twaalf zijn geweest. De 14-jarige leeftijd van Anna Magdalena zou wel kloppen, want haar ouders trouwden in 1574. Ze kan dus best in 1575 zijn geboren en was dus in 1589 14 jaar. De schaking is echter geen verzonnen verhaal. Dat ontdekte reeds midden 19e eeuw de amateur-historicus baron Sloet. Hij vond in de akten van het Hof van Gelderland gegevens over de schaking en de strafrechtelijke vervolging. Maar dat het tenslotte in Brussel tot een onthoofding van de Alberger edelman zou zijn gekomen, daarvan kon hij geen bewijsstukken vinden.

 

Dagboek

Toch is dar het overtuigende bewijs inmiddels van geleverd. Eind jaren tachtig hield mr. A. de Bakker uit Enschede zich bezig met de vertaling van het bewaard gebleven stamboek en dagboek van Sweder Scheele, tijdgenoot van de schaker. De Scheele’s bewoonden van 1521 tot 1715 het Huis Weleveld in Zenderen. Het origineel van genoemde boeken wordt in Osnabrück bewaard. In het voormalige Rijksarchief in Zwolle waren daarvan fotokopieën aanwezig. De Bakker ontdekte daarin enkele passages die betrekking hebben op de gebeurtenissen van september 1589 op Het Weemselo. Één van die passages luidt: 1592: Gerard van Bevervoorde (de zoon van Johan, die een zoon was van Bernt van Bevervoorde, die een grote vriend was van mijn grootvader Sweder Scheele en zolang hij leeft (tot 1571) van mijn vader, Christoffel (1529-1606) ontvoerde destijds Anna Magdalena, een dochter van Hendrik van Reede, die Saasveld bewoonde. De moeder nam echter haar dochter (omdat die nog erg jong was) weer bij zich in huis en vervolgde Gerard van Bevervoorde wegens schaking. Onder het jaar 1595 vond De Baker een genealogie van de Van Bevervoorde’s vermeld, in verband met het huwelijk van Sweders zuster Judit met Joost van Bevervoorde, een verre neef van de schaker. Bij diens naam (nu Geert genoemd) stond in het Latijn de volgende aantekening: Decollatus Bruxelles of libellum famosum; cum fructu persecutus ob raptum ab Mansfeldia vidua de Rede. Kennelijk is deze aantekening er later bij geplaatst (in 1597?) Vertaald luidt ze: Onthalsd te Brussel op grond van de geruchtmakende aanklacht; was met vrucht vervolgd wegens schaking door de Mansfeldse weduwe De Rede.

 

Mooie weggetjes in de gemeente Tubbergen

 

Volgen we Weemselerweg verder, dan komen we, tegenover de hoge bouwkamp van het erve De Meyer (ter Haar) bij de kleine boerderij van Jan Loohuis (Weemselerweg 28). In elke geval stond hier al een boerenhuis rond 1800 en in die tijd werd het kleine erve de Wortelhorst genoemd. Rond genoemd jaar vestigde zich hier en echtpaar Heithuis-Nieuwe Weme uit Dulder. Eigenaar was toen de vrederichter Stroink uit Almelo. Nazaten van dit echtpaar bleven het volkshoes trouw.

 

De laatste bewoner van die naam was Hermanus Heithuis, ook wel Wortelmans genoemd, die in 1924 op 88-jarige leeftijd stierf. Hij was een rasverteller die prachtig uit kon wijden over de witte wieve, het wiergaon en andere duistere zaken.

 

Avondwake

Bij zijn stoffelijk overschot werd geen dodenwake gehouden, hoewel dat eeuwenlang gebruikelijk was geweest. Want even daarvoor, in december 1923, vlak voor Kerstmis, was dit eeuwenoude gebruik in dit deel van Albergen afgeschaft. Aanleiding daarvoor was het overlijden van de eenzaam wonende klompenmaker Broenink, die een tijdlang op de Wortelhorst was verpleegd. Men voelde er weinig voor om bij hem de dodenwake te houden, waarop er een einde kwam aan het gebruik, dat elders wel eens op drinkgelagen uitliep en tegen het einde van de 16e eeuw, ten tijde van de reformatie al in vele delen van ons land was verboden. De dochter van Herman Heithuis, die in 1912 was getrouwd met Oude Rengerink, de molenaar van de Weemselermolen bleef nog een tijdje op de Wortelhorst wonen. Vervolgens woonde de familie Wolbers er een tijdje, tot het kleine erve werd gekocht, in 1928, door Joannes Loohuis die er een gezin stichtte en waarvan een van de zeven kinderen tenslotte het oudershuis zou overnemen. Zodat er nog steeds een Loohuis woont. Links komt dan een veel later gebouwd boerenhuis in zicht (van familie B. Loohuis) en rechts, achter een houtwal en een weiland staat een voor burgerbewoning ingerichte boerderij op een plek, waar in elk geval in 1675 al een boerenerve aanwezig was, een pachthoeve van het Weemselo.

 

Gastgeerd

In genoemd jaar woonde daar een zekere Gastgeerd naar de naam van de boerderij, het Gasthuis. Die naam vonden we weer in een op 23 januari 1705 opgemaakte trouwakte. Toen trouwde Ferdinand Gerritzen van ’t Gasthuis met Gertruida Heininck. Dit echtpaar kreeg tien kinderen, twee zoons en acht dochters. Herman, één van de zoons, trouwde in 1745 en stichtte ook een kinderrijk gezin. Vervolgens bleef of een zoon of een dochter het Gasthuis trouw. Sommigen gingen zich Weemselo noemen (1777), anderen Gasthuis (1810) en die laatste naam had een wat langer leven. In 1891 werd het huis echter afgebroken en het boerenplaatsje verkocht. Daarmee kwam er een einde aan de boerderij met twee zijschotten ter weerszijden van de deeldeuren. Stond dit boerenerfje ten noorden van het karrenspoor, dat de Weemselerweg in die tijd verbond met de Zondermansweg, nu werd een nieuw huis gebouwd langs de zuidkant, dat ook de naam Gasthuis kreeg. In 1900 kwam Jan Klaassen er wonen, waarvan één van de kinderen de bekende dialectschrijver Hendrik Klaassen zou worden. Nu wordt het bewoond door één van zijn dochter en haar gezin. Bronnen: De huizen van Albergen en hun bewoners, geschiedkundige aantekeningen op de havezathen van Twente. De havezathen in Twente en hun bewoners.

 

 


Appartementenhof De Beekzijde Beekzijdeweg 12 7661 RV Vasse Tel. 0541 680810 E-mail info@debeekzijde.nl

familie Kemperink heet u van harte welkom

 

                  terug naar bezichtingen